Ziekenhuizen maken afdelingen vrij en creëren extra SEH- en IC-bedden om de vloedgolf aan coronapatiënten aan te kunnen, alle specialisten worden ingezet om corona patiënten op te vangen ongeacht hun vakgebied, huisartsen draaien overuren, en ik? Ik werk met een nulurencontract in de ouderenzorg in het Noorden, af en toe een dagje om een verlof van een collega op te vangen. Zo min mogelijk contact met patiënten en collega’s betekent hele dagen achter de computer. Ik wil meehelpen in de strijd tegen corona, ik wil aan het bed staan, kortom, ik wil mij nuttig maken!

Het doel van mijn nulurencontract was om mij het komende half jaar in te zetten voor anderen: vrijwilligerswerk in de daklozenopvang, werken in een vluchtelingenkamp in Lesbos, mijn oma vaker bezoeken, cursussen volgen en natuurlijk ook wat vakanties en uitjes. Maar je raadt het al, alles is gecanceld. Dus nu zit ik thuis en voel ik mij onrustig. Ik heb het gevoel niet bij te dragen aan de strijd tegen het coronavirus en dit frustreert mij mateloos. Ik speel met de gedachte om me aan te melden voor SEH-diensten. Dan zou ik volledig ingewerkt moeten worden in het systeem van een voor mij nieuw ziekenhuis. En, gezien het verspreidingsrisico, zouden mijn diensten in de ouderenzorg door iemand anders overgenomen moeten worden. Wanneer corona uitbreekt in het Noorden, zullen ziekenhuizen overlopen, er zullen uitbraken komen in verpleeghuizen en meerdere artsen ziek worden. Waar ontstaat de grootste crisis? Waar het grootste artsentekort? En hoe kan ik mij het beste nuttig maken? Het ziekenhuis kan misschien nog een blik aan PhD artsen en recent afgestudeerden opentrekken. De ouderenzorg daarentegen heeft al jaren een tekort en de meeste artsen zijn zelf 60+…

Een goede vriendin vertelde me “Niemand weet wat er gaat gebeuren en welke beslissing de juiste is. Maar je stelt je beschikbaar, dus je draagt bij. Je kunt in je eentje het probleem niet oplossen, maar alle beetjes helpen.” Ze heeft gelijk. Misschien moet ik wat milder zijn voor mezelf. Als individu zal ik op landelijk niveau slechts weinig kunnen bijdragen. Het gaat er dus om wat ik wél kan doen, op de kleine schaal. Vandaag ga ik mijn supervisoren in de ouderenzorg vertellen dat ik meer wil helpen en dat ik fulltime beschikbaar ben. Dat ze me mogen inzetten waar nodig en ik, hoe moeilijk ook, anders beschikbaar thuis zal afwachten. Hopelijk met wat minder onrust, wetende dat als het nodig is, ik kan helpen.

-Door Josien Hazelaar

Met veel trots kijk ik naar zorgend Nederland. Niet omdat we opeens ‘helden’ worden genoemd of omdat ons werkterrein binnen een paar weken is omgedoopt tot ‘het front’. Met al die oorlogsretoriek heb ik niet zo veel. Persoonlijk vergelijk ik onze zorg liever met een zeilschip dat veilig door een storm probeert te varen tot de wind gaat liggen.

In een stilte voor de storm zijn we geneigd (te) veel zeil te voeren

Veel collega’s hebben afgelopen tijd een stilte voor de storm ervaren. De reguliere zorg is in rap tempo afgeschaald en iedereen wordt in de startblokken gezet om mee te helpen in de stroom coronapatiënten die komen gaat. Begin maart begon ik aan een dienstblok van avond- en nachtdiensten op de afdeling neurologie. Die week werden alle scholen, horeca en sportfaciliteiten gesloten. Veel mensen vroegen me hoe het was in het ziekenhuis; ‘zal wel hectisch zijn, of niet?’. Eerlijk gezegd was nog nooit zo stil. De bedden op de afdeling waren maar voor de helft bezet en het leek erop dat de hoeveelheid mensen met een beroerte plotseling fors was afgenomen. Durven deze patiënten niet meer naar het ziekenhuis te komen uit angst om ziek te worden of alleen te sterven? Dat kan toch niet de bedoeling zijn?

Tijdens die diensten voelde ik me absoluut geen held. Eerder nutteloos en schuldig naar collega’s op de SEH die coronapatiënten stonden op te vangen. Ik wilde ook wat betekenen. Zodra er dus een oproep kwam van de Intensive Care dat ze handen nodig hadden, was ik blij dat ik ergens kon helpen. Het regelmatig draaien van de beademde patiënten van rug- naar buikligging was te zwaar voor de IC-verpleegkundigen om vol te houden naast hun andere taken. In een naïeve heroïek gaf ik al mijn compensatiedagen die ik normaal vrij heb na nachtdiensten op als beschikbaar voor de ‘draaiteams’ op de IC. Ik werd direct ingepland voor vijf avonddiensten.

Reef je zeilen op tijd om het hanteerbaar te houden

De diensten op de IC waren bijzonder vervreemdend. Iedere dag een ander team van nieuwe collega’s, met precies hetzelfde onherkenbare uiterlijk in zo’n pak. Ik werd geraakt door een verpleegkundige die vertelde dat de COVID-IC voor haar soms aanvoelde als een fabriek en hoe veel moeite ze daar mee had. Op iedere kamer een gesedeerde, geïntubeerde patiënt met hetzelfde ernstige ziektebeeld. Ze merkte dat het moeilijker dan normaal was om de mens te blijven zien in die kamers: Waar ze normaal op basis van het bezoek een beeld kon vormen, sprak ze de naasten nu alleen telefonisch. Ze vertelde dat ze daarom families om een foto had gevraagd voor op de kamer, zodat ze kon zien wie de persoon was voor wie ze zorgde. De volgende ronde lette ik op de foto’s: Een bourgondisch type dat omringd door zijn hele familie zijn verjaardag viert. Een opa met zijn twee kleinkinderen op schoot in de tuin. Een vrolijk stel in de zon voor hun camper. Doodmoe ging ik die nacht direct onder zeil. Het was misschien toch wat veel om al die diensten te draaien achter elkaar. Daarom heb ik gebeld of het mogelijk was om mij de laatste twee avonden uit te roosteren, daar was gelukkig ruimte voor. Na tien dagen achter elkaar werken ben ik nu een paar dagen vrij. Even tijd om uit te rusten voor de volgende uitdaging die er aan komt: werken als arts op een COVID-afdeling.

Houd naast oog op je koers, ook een oogje in het zeil

Wanneer we het coronavirus als ‘de vijand’ zien en zorgverleners als ‘de frontlinie’, wekt dat de indruk dat we kunnen winnen of verliezen. Maar welke grens zijn we eigenlijk aan het verdedigen? De grens tussen leven en dood? De grens van ons kunnen? Ethische grenzen? Wanneer hebben we gewonnen, of juist verloren? Wanneer we het beschouwen als strijd, lopen we het risico ons blind te staren op de vijand. Laten we niet vergeten om – juist in zwaar weer – ook een oogje in het zeil te houden voor onszelf, onze collega’s en onze andere patiënten.

– Door Anniek Baumfalk

Het is dinsdagochtend, half negen. Normaal gesproken zou ik nu op mijn werkkamer op het AMC zitten om verder te werken aan protocollen, artikelen en databases. Vandaag is dat niet het geval, net zoals de afgelopen week. Het leven is in één klap stil komen te liggen. De reden weten we allemaal. Hoe we er mee om moeten gaan is voor velen een stuk lastiger.

Nog maar een maand geleden zou ik rond deze tijd met mijn medepromovendi richting het centrale AMC-plein trekken om een kop koffie te drinken en bij te praten. Omdat koffiedrinken natuurlijk inherent verbonden is aan het promoveren, doen we dat dit keer ook, maar dan via Skype. Elke ochtend even een koffiemeeting en dan aan het werk.

Dat werk vindt nu thuis plaats. Samen met mijn huisgenoot, die advocaat is, hebben we een soort ‘battle station’ ingericht aan de keukentafel vol met schermen, notities en heel wat koffiemokken. Het leek in het begin allemaal best leuk, een beetje thuis wat aanklooien, maar het valt me niet mee. Thuis iets gedaan krijgen zonder je dagelijkse routine en met 1001 dingen die veel leuker zijn dan weer door een protocol heen werken, is toch best lastig. Deze ongemakken vallen in het niet bij wat de honderden mensen die vechtend voor hun leven op de IC liggen doormaken, en ondertussen krijg ik van familie en collega’s in de zorg door hoe nijpend de situatie in de ziekenhuizen is. Wat ben ik blij en trots dat er zoveel mensen zijn die op dit moment aan de frontlinie staan om deze crisis in zo goed mogelijke banen te leiden.

Ik hoor de verhalen van andere jonge dokters, die als ANIOS chirurgie opeens moeten bijspringen bij de interne, en om moeten gaan met een nieuwe, vreemde situatie. Wat is het knap hoe iedereen zich in deze situatie flexibel opstelt en bereid is om samen te werken om deze crisis het hoofd te bieden. Ik voel me machteloos, wetende dat het onderzoek wat ik altijd zo belangrijk vond, in het niet valt bij het werk wat nu in de ziekenhuizen wordt verricht. Ik denk na over hoe ik in deze situatie mijn steentje bij kan dragen voor zij die het nodig hebben.

Lang hoef ik daar niet over na te denken en ik besluit een oude hobby weer op te pakken. Sinds vorige week kook ik bijna elke avond voor de buurt via Thuisgekookt. Elke dag een warme maaltijd voor zij die het nodig hebben. Iedere avond staan er weer een aantal mensen voor de deur die iets af komen halen. De verhalen die ik hoor, als ik de maaltijd braaf op 1,5 meter afstand bij de deur neerzet, zijn heel verschillend. Van een vrouw die al erg eenzaam was, en nu door de quarantaine werkelijk niemand meer spreekt, tot de verpleegkundige, die zeker in de eerste dagen, steeds misgreep in de schappen bij de supermarkt en door al het overwerk geen tijd heeft om zelf te koken. Het geeft me veel voldoening in deze tijd waarin je je als thuiszitter toch gaat afvragen wat je bijdraagt aan de maatschappij.

Om mij heen zie ik meerdere initiatieven van mensen die de machteloosheid om proberen te zetten in iets positiefs, van boodschappen doen voor de buren, tot doneren aan de voedselbank. Het is verleidelijk om bij de pakken neer te gaan zitten, maar Nederland kiest voor saamhorigheid.

Deze crisis kan best nog wel eens even gaan duren, maar we komen hier uit. Hopelijk zal veel teruggaan naar het oude, en kunnen we straks weer op het terras van een drankje genieten, aan het strand liggen of lekker gaan sporten. Wat hopelijk niet verdwijnt, zijn die prachtige initiatieven voor mensen die het nodig hebben. Ook na deze periode zullen we die nodig hebben.

Ondertussen ben ik weer bezig aan de maaltijd voor de afhalers die vanavond komen, zodat ik ze een klein lichtpuntje kan bieden in deze tijd. Mijn gedachten gaan uit naar alle strijders in de zorg. Laten we niet alleen nu voor ze klappen, maar ook na deze periode niet vergeten wat ze allemaal voor ons betekend hebben.

– Door Christiaan Widdershoven

Ik loop mijn gebruikelijke rondje door de duinen na een drukke dag. De zon schijnt, de wind voelt warmer aan en de schaapjes staan heel zen op de duintoppen; het begint nu echt lente te worden. Als vanzelf kom ik vooruit en ik geniet met volle teugen van de frisse zeelucht. Komt die marathonvoorbereiding toch nog goed van pas. Ik zie bijna niemand en ik geniet van de rust om me heen.

Vorige week, eerder de ‘stilte voor de storm’ genoemd, deed me denken aan mijn laatste trainingsblok: lange dagen, gezond eten, alcohol met mate en goed slapen. Beducht vooruitblikkend op wat er komen gaat. Daarna, het gevoel aan de start te staan. Het moment dat je moet vertrouwen op je training en dat het goed gaat komen. Maar deze marathon loopt niemand alleen en nu meer dan ooit moeten we als zorgverleners elkaar steunen.

Ik ben enorm trots op onze groep en onze flexibiliteit; diensten worden als vanzelf overgenomen en een totaal nieuw rooster enkele dagen van tevoren is geen enkel probleem. Ik ben ontzettend dankbaar voor het aanbod van collega’s van andere specialismen om te helpen. Het is hartverwarmend dat juist nu iedereen voor elkaar klaarstaat.

Hier op de IC zijn we rustig begonnen, voorzichtig en vooral niet te snel starten. Later hebben we onze energie nog hard nodig. Er staan supporters langs ons parcours, die vanuit hun balkons ons een hart onder de riem toejuichen. We praten met andere deelnemers en wisselen onze strategieën uit voor de kilometers die nog komen gaan. In plaats van een banaan en beker water in onze handen gedrukt te krijgen, worden we voorzien van chips, fruit, soep en pizza. Er worden zelfs letterlijk hardloopshirts aan ons uitgedeeld en even geleden klonk You’ll Never Walk Alone op de radio.

Zo krijg ik toch een beetje een marathongevoel – ook al loop ik op 5 april niet over de Erasmusbrug richting de Coolsingel maar ‘s nachts over de IC van patiënt naar patiënt. Ook daar geldt als beste strategie om de gevreesde man met de hamer te slim af te zijn: zorg goed voor jezelf. Door op anderen en onszelf te blijven letten, bewegen we ons kilometer voor kilometer richting de finishlijn.

En daarna komt het moment dat we allemaal – zittend op de bank met de beentjes omhoog – terugblikken op de fantastische prestatie die we geleverd hebben. Ook al weten we niet precies wanneer dat zal zijn, ik heb er het volste vertrouwen in dat we met alle ongelofelijk hardwerkende mensen in de zorg de klus gaan klaren. Allez, allez, allez! – you got this! – en hou vol iedereen <3

– Door Casey Grandbois van Ravenhorst

Ik stap de bus in op weg naar mijn nachtdienst. De vooringang van de bus is afgesloten met rood-wit lint waar ik tegenaan kijk zodra ik mijn plekje heb gevonden. Een handjevol mensen zit ruim op afstand van elkaar. Ik stap de bus uit op weg naar het verlaten ziekenhuis en de buschauffeur roept me nog vriendelijk na “fijne nacht!” Op weg naar de afdeling zie ik enkele mensen die nog op weg naar werk zijn, of weer naar huis gaan. Er heerst een stilte.

Na de overdracht worden de recente ontwikkelingen en maatregelen besproken die de IC aangaan. Een aantal collega’s zijn de afgelopen tijd dag en nacht bezig geweest om mogelijke scenario’s uit te tekenen en bereikbaarheidsroosters te maken. We praten nog even na over wie van mijn collega’s getest zijn. Soms vergeet ik even dat het coronavirus heerst, als ik mijn ronde op de IC loop. Het normale werk gaat gewoon door, juíst het normale werk. Een oude man die net na een operatie op de IC komt uitslapen is onrustig en in de war. Hij weet niet waar hij is en wil weg. Wij, drie verpleegkundigen en ik, houden hem vast zodat hij niet valt en proberen hem gerust te stellen. Na een kort gesprek leggen we hem weer in bed en wordt hij langzaam rustig.

Gedurende de nacht gaat het gesprek uiteraard over het virus, de angst voor het onbekende en wat er komen gaat. Tegelijkertijd voel ik verbondenheid met de verpleegkundigen waar ik de nacht samen mee doorbreng. De verantwoordelijkheid die iedereen neemt om elkaar te helpen. Diensten worden als vanzelf overgenomen als er zieke collega’s zijn. Er hangt een gespannen sfeer, maar tegelijkertijd is er stilte. Een gevoel van rust op de afdeling die ik de afgelopen tijd niet heb meegemaakt. Het gevoel van stilte voor de storm. Wat gaat er komen? Niemand zal het weten, maar wat ik wél weet is dat we dit samen gaan redden!

Na mijn nachtdienst stap ik terug de bus in en zie ik de zon opkomen. Vanaf het station fiets ik door de rustige straten, en ik vraag me af of ik wel door Amsterdam fiets. Het gehaaste leven lijkt nu vertraagd te zijn. Ik zie mensen buiten in het park, wandelen of hardlopen. Mensen zien elkaar staan, helpen elkaar. Deze stilte is tijd om na te gaan wat nu écht belangrijk is. Laten we elkaar steunen! Ik voel me dankbaar dat ik mag bijdragen om samen met de rest van Nederland dit virus te boven te komen.

-Door Floor Wout

Een half jaar geleden begon ik aan een nieuwe baan als arts-assistent op een grote perifere intensive care. Amper twee weken nadat ik gestart was kreeg ik een berichtje van een collega – die zelf bijna weg zou gaan – en de opleider: of ik de roosters wilde gaan maken. ‘Jij kan dat aan’, zeiden ze. ‘Wordt mega leuk’, werd mij nog toegeroepen.

Ik had waarschijnlijk prima vriendelijk kunnen bedanken en dit fantastische aanbod af kunnen slaan (bang gemaakt door de horrorgeruchten van alle brandjes die je dan moet blussen). Maargoed, als newbie vond ik dat toch ook riskant. Gek hè, hoe we als ANIOS in dit soort situaties toch weerstand voelen om nee te zeggen. Dus ik aan de slag met de roosters – samen met een collega die haar laatste maand tegemoet ging.

Waar ik echter snel achter kwam, was dat de afgelopen periode de grenzen van aantal uren werk en de daarbij horende werkdruk werden opgezocht en opgerekt om het rooster rond te kunnen maken. Iedereen had zich hierbij neergelegd, en dat begreep ik niet. In een periode waarin vrijwel de volledige groep assistenten zou wisselen waren er simpelweg niet genoeg jonge dokters beschikbaar om de diensten op twee locaties te dekken. Ook gingen er veel mensen tegelijkertijd met vakantie, waardoor het water ineens aan onze lippen stond.

Wij krijgen als assistenten veel vrijheid en verantwoordelijkheid om de roosters te maken. Dat is natuurlijk heel fijn om zoveel mogelijk aan ieders wensen te kunnen voldoen. Het nadeel was in dit geval dat de opleider en andere specialisten hierdoor ook niet altijd op de hoogte waren van de hoeveelheid uren en ervaren werkdruk van de assistenten.

Toen ik bij de opleider aangaf dat het wel erg veel diensten per persoon waren kreeg ik in eerste instantie nauwelijks bijval. ‘Vroeger’ werden immers ook lange dagen gedraaid – en even de schouders eronder moest kunnen.

Deze opmerking zette mij aan het denken. Waarom waren al die diensten eigenlijk een probleem? Onze groep bleek immers meer dan bereid om bestaande tekorten op te vangen. Alleen waren we nu in een situatie gegroeid van chronische tekort. Ik zag dat we in overlevingsmodus waren en dat dat de cohesie in de groep niet ten goede kwam. Want op dat moment kies je primair voor jezelf. Je hebt geen headspace om aan je collega’s te denken en zoveel rekening met ze te houden als je normaal gesproken zou doen. Dat is logisch, maar ook ontzettend zonde. Het was niet in lijn met hoe ik denk over een duurzaam, gezond werkklimaat.

En dit was de kern van wat we nadien samen hebben besproken. We konden praten over het ongewenste effect op de groepsdynamiek en concludeerden dat een aantal dingen moesten veranderen. De verwachting van de opleider en zijn collega’s was namelijk niet dat we elke week structureel heel wat overuren moesten maken – dit was er met de tijd ingeslopen en tot dat moment was het niet op deze manier aangekaart. De supervisoren wisten dus niet eens dat we dit deden!

Dit heeft er toe geleid dat op de korte termijn diensten zijn opgevangen door de specialisten zelf en ook dat er meer assistenten werden aangenomen. Nu, een paar maanden later, merk ik dat er meer geanticipeerd wordt op vertrekkende assistenten en staan we meer stil bij gezond roosteren.

Ik ben ontzettend blij dat ik me na die eerste reactie van de opleider tóch over die weerstand heen heb kunnen zetten en de werkdruk van assistenten als groep bespreekbaar heb gemaakt! Ik was namelijk net begonnen op mijn nieuwe baan en ik was bang over te komen als een zeikerd en zwakkeling die het vak niet aan zou kunnen. Die weerstand bleek totaal ongegrond te zijn. Door te beginnen met een open gesprek werken we samen aan een gezonde, veilige en gezellige cultuur!

– Door Casey Grandbois van Ravenhorst

Ik ben te dun. 

Ik ben 1.80 meter en weeg 56 kg. Mijn BMI is 17.3. En dus heb ik ondergewicht. Maar ik eet genoeg. Toegegeven: ik ben geen ochtendmens en sla mijn ontbijt vaak over, maar dat haal ik gedurende de rest van de dag ruimschoots in. Ik ben al zo lang als ik me kan herinneren te licht, dat snelle metabolisme is een familiekwaal. Kilo’s erbij eten lukt me niet. Inmiddels accepteer ik wel dat dat nu eenmaal is hoe ik ben. Al denk ik stiekem nog wel eens: staken die ellebogen maar wat minder uit. Maar goed, zo hebben veel mensen wel iets dat ze het liefst aan hun lichaam zouden veranderen. Die spaghetti-armpjes horen gewoon bij mij.

Extra afspraken bij de schoolarts

Ik weet dat ik statistisch gezien onder de risicogroepen val voor het ontwikkelen van een eetstoornis. Ik ben een jonge, hoogopgeleide vrouw met een hoog streefniveau, die kritisch op zichzelf is en soms wat perfectionistische trekjes heeft. 

Het is dan ook niet vreemd dat ik extra afspraken kreeg bij de schoolarts voor een vinger aan de pols. Begrijp me niet verkeerd, dat is een goed idee, als je bedenkt dat het grootste deel van de eetstoornispatiënten altijd onder de radar blijft. Maar iets minder goed voor het zelfvertrouwen van een jong, plat meisje zónder eetstoornis, dat de vorm van haar lichaam altijd al wat ingewikkeld vond door haar juveniele idiopathische scoliose en de brace die ze daarvoor droeg. 

Verstopte onzekerheid

Inmiddels zijn we heel wat jaren verder en heb ik die tieneronzekerheden achter me gelaten. Dacht ik. Patiënten kunnen je soms echter onverwacht met gevoelens confronteren waarvan je niet wist dat ze nog ergens verstopt zaten. 

Zo werkte ik een paar maanden geleden nog bij de Acute Psychiatrie. Mijn collega en ik waren bij een manisch psychotische vrouw thuis om te proberen intensieve thuiszorg te starten, zodat ze niet opgenomen zou hoeven worden. Door nare ervaringen in het verleden was ze erg achterdochtig. Ze bleef afhoudend in het contact en de angst dat we haar pasgeboren baby kwamen afpakken was enorm. 

Terwijl wij haar vertrouwen proberen te winnen, rustig uitleggen waarom we ons zorgen maken en hoe we haar willen helpen, blijft haar boosheid borrelen. Plots wijst ze met een priemende vinger naar mij: “En wat denk jij dat je hier aan het doen bent?! Jij hebt zeker zelf anorexia, doe daar anders wat aan!” 

Er schiet van alles door me heen. Verontwaardiging: pardon?! Ik kom hier met de beste bedoelingen om jou te helpen en dan krijg ik dit naar mijn hoofd. Onzekerheid: huh, denken mensen dit nog steeds? Zo dun ben ik toch niet? Had ik beter lange mouwen kunnen dragen? Vermaak: ze brengt het namelijk érg grappig, ook dat hoort bij haar manie. En bovenal medeleven: die arme vrouw kijkt zo bang, ze is net een kat in het nauw die uithaalt. 

Pijnlijk confronterend

Hoe ik reageer? Ik zucht en zeg op rustige toon dat ik geen anorexia heb en dat ik het niet prettig vind dat ze dat zegt. Ik ben hier om haar te helpen, wil haar baby absoluut niet van haar afnemen en wil juist zorgen dat ze zich niet meer zo ellendig, bang en boos voelt. Ze stormt naar buiten, ons wat verloren op haar bank achterlatend. 

Even later komt ze schoorvoetend terug en verontschuldigt ze zich voor haar opmerking. Ze legt uit dat ik haar doe denken aan een meisje dat anorexia had en dat ze kent van een eerdere opname. Vandaar dat ze dit er zo uitflapte. Pijnlijk confronterend. Maar ik glimlach en bedank haar voor de gemaakte excuses. Zij lijkt dankbaar dat ik niet boos ben en haar niet afwijs, ik ben blij dat we voor even door haar verdedigingsmuren gebroken zijn.

Laat het gaan

Enkele dagen later heb ik ’s avonds op de kliniek een opnamegesprek met een andere patiënte. Ook zij heeft een manisch psychotisch beeld. Omdat we ons zorgen maakten over het gedrag dat ze over zichzelf kon afroepen, leek het ons beter dat ze een tijdje opgenomen werd. We konden haar niet dwingen, maar wel ons best doen haar vrijwillig opgenomen te houden. Met deze opdracht in mijn achterhoofd, ging ik voorzichtig met haar om, zodat de situatie niet zou escaleren. 

Het is meteen duidelijk: deze dysfore mevrouw is haar grip op de realiteit kwijt. Ze raast maar door over hoe bagger de service in deze pleuristent eigenlijk is en hoe stoned ze wordt van de onzichtbare medicatiedeeltjes in de lucht, terwijl ze deze probeert weg te wapperen. Ondertussen commandeert ze iedereen ongegeneerd rond, ook de andere patiënten.

Midden in haar niet te volgen verhaal  veert ze plots op en kijkt ze me recht aan. Opeens zegt ze poeslief: “Is dit altijd jouw gewicht geweest, joh? Zo fijn!”, terwijl ze iets te amicaal over mijn arm strijkt. Ik probeer haar opmerking luchtig weg te wuiven en met een grapje van onderwerp te veranderen, maar ze laat zich helaas niet zo makkelijk afleiden. Ze slaat net zo snel weer om en ze tiert furieus door over de keer dat ze gedwongen werd opgenomen omdat ze te veel was afgevallen. “En toen was ik echt nog dikker dan jij!!”  De verpleegkundige kijkt me met grote ogen aan en schudt haast onzichtbaar zijn hoofd. Hij heeft gelijk. Niet op ingaan, dan blijft ze hier zeker niet. Ik laat het gaan en spreek met haar af dat ze in elk geval één nachtje blijft slapen om even bij te tanken.

Spaghetti-armpjes

Als ik ’s nachts onderweg naar huis ben, spoken de opmerkingen van beide patiënten nog steeds door mijn hoofd. Ergens kan ik het heus relativeren en begrijp ik de context waarin deze zieke vrouwen dit zeggen. Maar dat ik blijkbaar de associatie van een anorexiapatiënt blijf oproepen knaagt alsnog aan me. Zal ik weer opnieuw proberen aan te komen? Misschien moet ik dan toch een sportschoolabonnement nemen. Spieren wegen immers zwaarder dan vet, toch? Ik grinnik om mezelf. Nee. Ik ga me niet laten kennen door deze dames. Deze spaghetti-armpjes horen gewoon bij mij.

Nulmeting

Hoe gaat het écht met de jonge dokters van Nederland?

Het lijkt waarschijnlijk alweer even geleden dat je geneeskunde ging studeren. Vol ambitie startte je deze opleiding. Ondertussen ben je basisarts en zelfstandig aan de slag of ben je nog hard bezig je artsentitel te bemachtigen. Hoe kijk je nu naar je werk? Heb je nog dezelfde ambities? Wat zorg er voor dat je met een goed gevoel naar huis gaat? En wat voelt er minder goed?

De media staat vol met alarmerende berichten over de werkdruk in de zorg en hoge percentages burn-outs onder artsen. Er is echter heel veel dat we over nog níet weten over dit onderwerp. Met name over ANIOS en onderzoekers/promovendi zijn nauwelijks data beschikbaar. En gevalideerde testen naar factoren die van invloed kunnen zijn op werkstress en werkplezier ontbreken onder alle jonge dokters. Wat ligt er nou eigenlijk onder al die alarmerende signalen?

De Jonge Dokter wil hier samen met Alles is Gezondheid een realistischer beeld van krijgen. Alles is Gezondheid is onderdeel van het Nationaal Programma Preventie dat mogelijk gemaakt wordt door de Rijksoverheid. We werken daarnaast onder andere samen met onderzoekers van de Erasmus Universiteit en het Amsterdam Medisch Centrum. Zodat we de huidige situatie beter in kaart krijgen en ons zo nog beter in kunnen zetten voor goede en gezonde werkomstandigheden voor jonge dokters. Zo kunnen we samen de zorg weer een stukje beter maken.Dus bij dezen een oproep aan álle jonge dokters: vul onze nulmeting in via deze link. En voel je uiteraard vrij dit te verspreiden onder je collega’s!

Bas Vreugdenhil, één van onze teamleden van De Jonge Dokter:

Dokteren, wat is dat toch een mooi vak. Na ruim zeven jaar studeren heb ik afgelopen zomer mijn diploma mogen ontvangen. Lekker aan de slag dus! Ik ben zeker lekker aan de slag gegaan, maar niet als praktiserend arts.

En dat voelt best gek. Ruim zeven jaar bezig geweest om mezelf te bekwamen tot basisarts en ik besluit dan om niet als ANIOS te gaan werken. Ook geen promotie of onderwijs voor mij, maar een overstap naar de commerciële wereld. Tijdens mijn coschappen merkte ik dat ik naast oog voor de patiënt, veel oog had voor hoe processen in de zorg geregeld zijn. Hoe verder ik in een coschap kwam, hoe minder de kliniek mij daadwerkelijk boeide en hoe meer ik me bezig ging houden met het observeren en analyseren van het reilen en zeilen van dat specialisme. Dat merkten veel van de specialisten ook op. En hoewel sommigen dat wel wat vreemd vonden, konden anderen het vaak wel weer waarderen dat ik op die manier een andere kijk op zorg had.

Dat bracht me verderop in de master wel tot een steeds groter dilemma: moet ik wel gaan dokteren, of vind ik de organisatie, strategie en financiering van zorg zoveel interessanter dan de kliniek en moet ik daar in doorgaan? Veel mensen in mijn omgeving zeiden: ga eerst maar eens dokteren, Bas. Ga maar ervaring opdoen in de praktijk en besluit dan maar of het wat voor je is of niet. Mijn verstand zei ook dat dat een goed idee was. Ik had niet voor niets zeven jaar geïnvesteerd in die opleiding. Toch zei mijn gevoel wat anders.

Aan het einde van mijn coschappen kreeg ik de kans om een lang gekoesterde wens van mij tot uitvoer te brengen: het opbouwen van Young KINASE, een projectbureau voor geneeskundestudenten en basisartsen. En dat onder de vleugels van een consultancybureau waar alleen maar artsen en technisch geneeskundigen werken. Dit bracht mijn passie voor zowel het doktersvak als de mogelijkheid om mezelf bezig te houden met organisatie en strategie van zorg bij elkaar. Ook nu weer gemengde gevoelens en gemengde geluiden van mensen om me heen: is dit wel het juiste moment voor deze stap? Moet je dit nu wel doen? Weet je écht zo zeker dat je niet wil dokteren? Hoe doe je dat dan met je BIG-registratie? Gelukkig waren er ook mensen die zeiden: Bas, dit is een gouden kans, pak hem! Ik moet eerlijk zeggen, dat die vragen mij veel hebben bezig gehouden. Nu nog steeds wel eens.

Zo is mijn moeder heel trots op mij (geweest) dat ik geneeskunde ging studeren. Als doktersassistente en (later) praktijkondersteuner van de huisarts ademt ze al 30 jaar lang met veel passie de eerstelijnszorg. Om deze keuze met haar te bespreken en haar teleurstelling te zien dat ik de keuze heb gemaakt om voorlopig niet te dokteren; dat is echt lastig. Ik weet wel dat ze ook nu trots op me is, maar ik weet ook dat het haar pijn doet. Dan loop ik soms vast in mijn gedachten en ga ik weer op zoek naar compromissen, om haar (en misschien mezelf ook?) toch een beetje hoop te geven dat ik dat vak toch wel weer in ga rollen.

Ik heb deze kans nu gepakt en dat voelt tot nu toe erg goed. Het past helemaal bij mij om op deze manier met mijn achtergrond een klik te creëren tussen zorgorganisaties en jonge dokters (in spé) in allerlei zorgprojecten, waar allebei de partijen blij van worden. En of ik die witte jas nu echt aan de wilgen heb gehangen? Het kriebelt nog steeds hoor.. Maar nu eerst deze droom volgen!

Hallo, ik ben Meike en ik heb last van het imposter syndrome. Herken je het gevoel dat je eigenlijk onvoldoende kennis hebt, voor datgene wat je doet? Fake it till you make it? Het staat niet in de DSM-V, maar misschien is dat wel nodig.

Nooit had ik bedacht dat ik in de psychiatrie zou werken. Laat staan de kinder- en jeugdpsychiatrie. De mensen van Talent&Care dachten echter dat dit goed bij mij zou passen en daarop vertrouwende ben ik gaan solliciteren. Maar veel achtergrondkennis had ik dus niet. Na een maandje inwerktijd, draaide ik mijn allereerste dienst. Dat wil zeggen: bereikbaarheidsdienst in de avond en nacht tussen twee werkdagen in. Je bent dan als enige arts-assistent bereikbaar voor de hele instelling met een kinder- en jeugdpsychiater als achterwacht.

Psychotisch
Overdag werd een psychotische jongen aangemeld, die niet meer hanteerbaar of veilig was bij de instelling waar hij verbleef. Hij had de hele dag geprobeerd zichzelf te wurgen en van het balkon te springen. Omdat de stemmen in z’n hoofd zeiden dat hij dat moest doen. Na eindeloze pogingen om hem uit te plaatsen (we zaten vol) werd uiteindelijk besloten een klapbedje op de Acute Opname bij te zetten. Wetende dat hij ergens in de avond met de ambulance gebracht zou worden, kreeg ik steeds meer last van m’n zenuwen. Nog nooit had ik een psychotisch iemand gezien! Moet ik deze jongen nu opnemen, beoordelen en het beleid gaan bepalen? Help!

‘Lagen de patiënt en ik ineens samen op de grond. Lekker begin’

Dus heb ik de achterwacht gebeld, situatie uitgelegd en de psychiater zou gelukkig ‘in huis’ komen.  Zodat we het samen konden doen. Maar ze moest nog wel een tijdje rijden voordat ze ter plaatse was. De ambulance kwam eerder dan verwacht en de jongen werd al de Acute Opname binnengereden. Dus ik begon toch maar vast met het gesprek. De jongen lag vastgebonden op de brancard. Toen ik hem naar de spreekkamer wilde helpen: Plof! Viel hij bij het afstappen zo de brancard af. Ik probeerde hem nog op te vangen, maar helaas. Daar lagen we met z’n tweeën op de grond. Door alle benzo’s die hij had gehad, ontbrak bij hem de kracht in zijn benen om weer op te staan. Gelukkig tilden de gespierde ambulanciers hem weer op zijn klapbed, maar dat begon dus lekker.

Beestjes uit de oren
Ik ademde diep in en begon mijn gesprek. De informatieverwerking bij de patiënt verliep langzaam, alsof hij tegelijkertijd nog 100 andere mensen tegen hem hoorde praten. Hij keek me achterdochtig aan en leek te verbloemen dat hij dingen hoorde en zag, die er niet waren. Als ik mijn aandacht op zijn familie richtte, plukte hij in de lucht. Later keek hij gebiologeerd naar de oren van de sociotherapeut. Met zijn gezicht op zo’n 20 cm afstand van de hare beschreef hij de oranje beestjes, die uit haar oren kwamen. Nu snapte ik wat men bedoelt met psychotisch zijn.

De rest van de nacht vulde zich met telefoontjes van de sociotherapeuten:

‘Mag hij nog meer benzo’s?’
‘Prima, maar pas over één uur, anders krijgt hij te veel achter elkaar.’

‘Hij is niet te houden. Ik moet de hele tijd achter hem aanlopen en bij alle deuren weghouden, zodat hij niet ontsnapt of andere jongeren wakker maakt. Daarnaast zakt hij steeds door z’n benen. Kan hij niet naar de separeer?’
‘Nee, hoe lastig en bewerkelijk hij ook is, hij is niet agressief of gevaarlijk. Dus hij mag niet naar de separeer.’

De hele avond dacht ik: Moet ik jullie nou adviseren over wat je doen moet? Met die ene maand ervaring, die ik heb? Ik had het gevoel dat ik elk moment door de mand kon vallen. Ze zouden er vast achter komen, dat ik eigenlijk helemaal niets wist.

Frisse moed
Goed dan, de vuurdoop had ik achter de rug. Iedereen verzekerde me dat de diensten normaal minder heftig waren. Dus met frisse moed begon ik aan m’n tweede dienst. Ik zat nog wat administratie af te handelen en wilde net naar huis gaan, toen mijn diensttelefoon afging. ‘Er is een ernstig geweldsincident op het terrein.’ Er was alarm gemaakt en sociotherapeuten van verschillende afdelingen hadden de agressieve jongen inmiddels overmeesterd. Ze belden om grof geschut in te zetten. Daarmee bedoelden ze mij!

Ik vond hen in de tuin. De 15-jarige jongen lag al scheldend en tierend op zijn buik. Vijf sociotherapeuten hielden hem op de grond gepind, maar hij bleef zich verzetten. Wat was er nou gebeurd? De autistische jongen met emotieregulatie problemen ging door het lint, toen andere jongeren ongevraagd zijn voetbal hadden gepakt. De drie sociotherapeuten die hem probeerden te kalmeren, hadden allemaal verwondingen. Een opgezette kaak, een bijtwond, een gekneusde duim en een flinke bult. Juist! Wat te doen?

‘Onhandig kroop ik tussen de heg en de jongen, zodat hij me kon zien’

Onhandig kroop ik tussen de heg en de jongen, zodat hij me kon zien. Ik moest mijn hoofd hiervoor bijna op de grond leggen, super professioneel natuurlijk. Hij bleef roepen dat z’n arm zo’n pijn deed. Als hij stopte met vloeken en rustig bleef liggen, mocht de sociotherapeut van mij zijn arm ietsje los laten. Dit lukte en hij kalmeerde een beetje. Al pratend konden de therapeuten, met kleine tussenstapjes, hem steeds meer loslaten. Twee sociotherapeuten hielpen hem overeind en begeleidden hem naar de afzonderingsruimte.

We spraken met hem af dat hij tijd zou krijgen om af te koelen. Over een kwartier zouden we terugkomen. Door veel op hem in te praten, te onderhandelen, een grote berg geduld en vooral de belofte dat hij zijn moeder mocht bellen, kregen we hem vrijwillig gesepareerd voor de nacht. Terwijl hij bijkwam van alle hectiek en stress van het afgelopen uur, deden de therapeuten en ik dat ook. In alle rust verbond ik de gewonde sociotherapeuten en zakte ons adrenalineniveau weer langzaam naar normaal.

Hoofd koel houden
Opnieuw dacht ik: Hoe weet ik nou wat ik moet doen?! Ik bleef het gevoel houden dat ik de boel belazerde. Dat collega’s elk moment konden uitvinden, dat ik eigenlijk helemaal niets wist. Maar met behulp van mijn achterwacht, de protocollen op intranet, de geneesheerdirecteur, common sense en vooral het hoofd koel houden, kwam ik er uiteindelijk toch telkens weer uit.

‘Heb jij het gevoel dat jij de enige bent, die onvoldoende kennis heeft voor het werk dat je doet?’

Heb jij ook het gevoel dat jij de enige bent, die onvoldoende kennis heeft voor het werk dat ik doet? Dan heb jij mogelijk ook last van het imposter syndrome. Ik kan je geruststellen! Ik heb ontdekt, dat ik niet de enige ben. Ik moest wel de harde realiteit onder ogen zien en opbiechten dat ik me soms een beetje een bedrieger voel. En wat ontdekte ik? Ook die arts-assistent, die super zeker van zichzelf lijkt te zijn, blijkt hier last van te hebben. Evenals die ene vriendin die altijd een stap voor lijkt te lopen op de rest. Zelfs m’n supervisor voelt zich nog regelmatig onzeker. Say what?!

Daarom wil ik alle andere startende artsen een hart onder de riem steken: je bent niet alleen! Welcome to the club.