Ik stap de bus in op weg naar mijn nachtdienst. De vooringang van de bus is afgesloten met rood-wit lint waar ik tegenaan kijk zodra ik mijn plekje heb gevonden. Een handjevol mensen zit ruim op afstand van elkaar. Ik stap de bus uit op weg naar het verlaten ziekenhuis en de buschauffeur roept me nog vriendelijk na “fijne nacht!” Op weg naar de afdeling zie ik enkele mensen die nog op weg naar werk zijn, of weer naar huis gaan. Er heerst een stilte.

Na de overdracht worden de recente ontwikkelingen en maatregelen besproken die de IC aangaan. Een aantal collega’s zijn de afgelopen tijd dag en nacht bezig geweest om mogelijke scenario’s uit te tekenen en bereikbaarheidsroosters te maken. We praten nog even na over wie van mijn collega’s getest zijn. Soms vergeet ik even dat het coronavirus heerst, als ik mijn ronde op de IC loop. Het normale werk gaat gewoon door, juíst het normale werk. Een oude man die net na een operatie op de IC komt uitslapen is onrustig en in de war. Hij weet niet waar hij is en wil weg. Wij, drie verpleegkundigen en ik, houden hem vast zodat hij niet valt en proberen hem gerust te stellen. Na een kort gesprek leggen we hem weer in bed en wordt hij langzaam rustig.

Gedurende de nacht gaat het gesprek uiteraard over het virus, de angst voor het onbekende en wat er komen gaat. Tegelijkertijd voel ik verbondenheid met de verpleegkundigen waar ik de nacht samen mee doorbreng. De verantwoordelijkheid die iedereen neemt om elkaar te helpen. Diensten worden als vanzelf overgenomen als er zieke collega’s zijn. Er hangt een gespannen sfeer, maar tegelijkertijd is er stilte. Een gevoel van rust op de afdeling die ik de afgelopen tijd niet heb meegemaakt. Het gevoel van stilte voor de storm. Wat gaat er komen? Niemand zal het weten, maar wat ik wél weet is dat we dit samen gaan redden!

Na mijn nachtdienst stap ik terug de bus in en zie ik de zon opkomen. Vanaf het station fiets ik door de rustige straten, en ik vraag me af of ik wel door Amsterdam fiets. Het gehaaste leven lijkt nu vertraagd te zijn. Ik zie mensen buiten in het park, wandelen of hardlopen. Mensen zien elkaar staan, helpen elkaar. Deze stilte is tijd om na te gaan wat nu écht belangrijk is. Laten we elkaar steunen! Ik voel me dankbaar dat ik mag bijdragen om samen met de rest van Nederland dit virus te boven te komen.

-Door Floor Wout

Een half jaar geleden begon ik aan een nieuwe baan als arts-assistent op een grote perifere intensive care. Amper twee weken nadat ik gestart was kreeg ik een berichtje van een collega – die zelf bijna weg zou gaan – en de opleider: of ik de roosters wilde gaan maken. ‘Jij kan dat aan’, zeiden ze. ‘Wordt mega leuk’, werd mij nog toegeroepen.

Ik had waarschijnlijk prima vriendelijk kunnen bedanken en dit fantastische aanbod af kunnen slaan (bang gemaakt door de horrorgeruchten van alle brandjes die je dan moet blussen). Maargoed, als newbie vond ik dat toch ook riskant. Gek hè, hoe we als ANIOS in dit soort situaties toch weerstand voelen om nee te zeggen. Dus ik aan de slag met de roosters – samen met een collega die haar laatste maand tegemoet ging.

Waar ik echter snel achter kwam, was dat de afgelopen periode de grenzen van aantal uren werk en de daarbij horende werkdruk werden opgezocht en opgerekt om het rooster rond te kunnen maken. Iedereen had zich hierbij neergelegd, en dat begreep ik niet. In een periode waarin vrijwel de volledige groep assistenten zou wisselen waren er simpelweg niet genoeg jonge dokters beschikbaar om de diensten op twee locaties te dekken. Ook gingen er veel mensen tegelijkertijd met vakantie, waardoor het water ineens aan onze lippen stond.

Wij krijgen als assistenten veel vrijheid en verantwoordelijkheid om de roosters te maken. Dat is natuurlijk heel fijn om zoveel mogelijk aan ieders wensen te kunnen voldoen. Het nadeel was in dit geval dat de opleider en andere specialisten hierdoor ook niet altijd op de hoogte waren van de hoeveelheid uren en ervaren werkdruk van de assistenten.

Toen ik bij de opleider aangaf dat het wel erg veel diensten per persoon waren kreeg ik in eerste instantie nauwelijks bijval. ‘Vroeger’ werden immers ook lange dagen gedraaid – en even de schouders eronder moest kunnen.

Deze opmerking zette mij aan het denken. Waarom waren al die diensten eigenlijk een probleem? Onze groep bleek immers meer dan bereid om bestaande tekorten op te vangen. Alleen waren we nu in een situatie gegroeid van chronische tekort. Ik zag dat we in overlevingsmodus waren en dat dat de cohesie in de groep niet ten goede kwam. Want op dat moment kies je primair voor jezelf. Je hebt geen headspace om aan je collega’s te denken en zoveel rekening met ze te houden als je normaal gesproken zou doen. Dat is logisch, maar ook ontzettend zonde. Het was niet in lijn met hoe ik denk over een duurzaam, gezond werkklimaat.

En dit was de kern van wat we nadien samen hebben besproken. We konden praten over het ongewenste effect op de groepsdynamiek en concludeerden dat een aantal dingen moesten veranderen. De verwachting van de opleider en zijn collega’s was namelijk niet dat we elke week structureel heel wat overuren moesten maken – dit was er met de tijd ingeslopen en tot dat moment was het niet op deze manier aangekaart. De supervisoren wisten dus niet eens dat we dit deden!

Dit heeft er toe geleid dat op de korte termijn diensten zijn opgevangen door de specialisten zelf en ook dat er meer assistenten werden aangenomen. Nu, een paar maanden later, merk ik dat er meer geanticipeerd wordt op vertrekkende assistenten en staan we meer stil bij gezond roosteren.

Ik ben ontzettend blij dat ik me na die eerste reactie van de opleider tóch over die weerstand heen heb kunnen zetten en de werkdruk van assistenten als groep bespreekbaar heb gemaakt! Ik was namelijk net begonnen op mijn nieuwe baan en ik was bang over te komen als een zeikerd en zwakkeling die het vak niet aan zou kunnen. Die weerstand bleek totaal ongegrond te zijn. Door te beginnen met een open gesprek werken we samen aan een gezonde, veilige en gezellige cultuur!

– Door Casey Grandbois van Ravenhorst

Ik ben te dun. 

Ik ben 1.80 meter en weeg 56 kg. Mijn BMI is 17.3. En dus heb ik ondergewicht. Maar ik eet genoeg. Toegegeven: ik ben geen ochtendmens en sla mijn ontbijt vaak over, maar dat haal ik gedurende de rest van de dag ruimschoots in. Ik ben al zo lang als ik me kan herinneren te licht, dat snelle metabolisme is een familiekwaal. Kilo’s erbij eten lukt me niet. Inmiddels accepteer ik wel dat dat nu eenmaal is hoe ik ben. Al denk ik stiekem nog wel eens: staken die ellebogen maar wat minder uit. Maar goed, zo hebben veel mensen wel iets dat ze het liefst aan hun lichaam zouden veranderen. Die spaghetti-armpjes horen gewoon bij mij.

Extra afspraken bij de schoolarts

Ik weet dat ik statistisch gezien onder de risicogroepen val voor het ontwikkelen van een eetstoornis. Ik ben een jonge, hoogopgeleide vrouw met een hoog streefniveau, die kritisch op zichzelf is en soms wat perfectionistische trekjes heeft. 

Het is dan ook niet vreemd dat ik extra afspraken kreeg bij de schoolarts voor een vinger aan de pols. Begrijp me niet verkeerd, dat is een goed idee, als je bedenkt dat het grootste deel van de eetstoornispatiënten altijd onder de radar blijft. Maar iets minder goed voor het zelfvertrouwen van een jong, plat meisje zónder eetstoornis, dat de vorm van haar lichaam altijd al wat ingewikkeld vond door haar juveniele idiopathische scoliose en de brace die ze daarvoor droeg. 

Verstopte onzekerheid

Inmiddels zijn we heel wat jaren verder en heb ik die tieneronzekerheden achter me gelaten. Dacht ik. Patiënten kunnen je soms echter onverwacht met gevoelens confronteren waarvan je niet wist dat ze nog ergens verstopt zaten. 

Zo werkte ik een paar maanden geleden nog bij de Acute Psychiatrie. Mijn collega en ik waren bij een manisch psychotische vrouw thuis om te proberen intensieve thuiszorg te starten, zodat ze niet opgenomen zou hoeven worden. Door nare ervaringen in het verleden was ze erg achterdochtig. Ze bleef afhoudend in het contact en de angst dat we haar pasgeboren baby kwamen afpakken was enorm. 

Terwijl wij haar vertrouwen proberen te winnen, rustig uitleggen waarom we ons zorgen maken en hoe we haar willen helpen, blijft haar boosheid borrelen. Plots wijst ze met een priemende vinger naar mij: “En wat denk jij dat je hier aan het doen bent?! Jij hebt zeker zelf anorexia, doe daar anders wat aan!” 

Er schiet van alles door me heen. Verontwaardiging: pardon?! Ik kom hier met de beste bedoelingen om jou te helpen en dan krijg ik dit naar mijn hoofd. Onzekerheid: huh, denken mensen dit nog steeds? Zo dun ben ik toch niet? Had ik beter lange mouwen kunnen dragen? Vermaak: ze brengt het namelijk érg grappig, ook dat hoort bij haar manie. En bovenal medeleven: die arme vrouw kijkt zo bang, ze is net een kat in het nauw die uithaalt. 

Pijnlijk confronterend

Hoe ik reageer? Ik zucht en zeg op rustige toon dat ik geen anorexia heb en dat ik het niet prettig vind dat ze dat zegt. Ik ben hier om haar te helpen, wil haar baby absoluut niet van haar afnemen en wil juist zorgen dat ze zich niet meer zo ellendig, bang en boos voelt. Ze stormt naar buiten, ons wat verloren op haar bank achterlatend. 

Even later komt ze schoorvoetend terug en verontschuldigt ze zich voor haar opmerking. Ze legt uit dat ik haar doe denken aan een meisje dat anorexia had en dat ze kent van een eerdere opname. Vandaar dat ze dit er zo uitflapte. Pijnlijk confronterend. Maar ik glimlach en bedank haar voor de gemaakte excuses. Zij lijkt dankbaar dat ik niet boos ben en haar niet afwijs, ik ben blij dat we voor even door haar verdedigingsmuren gebroken zijn.

Laat het gaan

Enkele dagen later heb ik ’s avonds op de kliniek een opnamegesprek met een andere patiënte. Ook zij heeft een manisch psychotisch beeld. Omdat we ons zorgen maakten over het gedrag dat ze over zichzelf kon afroepen, leek het ons beter dat ze een tijdje opgenomen werd. We konden haar niet dwingen, maar wel ons best doen haar vrijwillig opgenomen te houden. Met deze opdracht in mijn achterhoofd, ging ik voorzichtig met haar om, zodat de situatie niet zou escaleren. 

Het is meteen duidelijk: deze dysfore mevrouw is haar grip op de realiteit kwijt. Ze raast maar door over hoe bagger de service in deze pleuristent eigenlijk is en hoe stoned ze wordt van de onzichtbare medicatiedeeltjes in de lucht, terwijl ze deze probeert weg te wapperen. Ondertussen commandeert ze iedereen ongegeneerd rond, ook de andere patiënten.

Midden in haar niet te volgen verhaal  veert ze plots op en kijkt ze me recht aan. Opeens zegt ze poeslief: “Is dit altijd jouw gewicht geweest, joh? Zo fijn!”, terwijl ze iets te amicaal over mijn arm strijkt. Ik probeer haar opmerking luchtig weg te wuiven en met een grapje van onderwerp te veranderen, maar ze laat zich helaas niet zo makkelijk afleiden. Ze slaat net zo snel weer om en ze tiert furieus door over de keer dat ze gedwongen werd opgenomen omdat ze te veel was afgevallen. “En toen was ik echt nog dikker dan jij!!”  De verpleegkundige kijkt me met grote ogen aan en schudt haast onzichtbaar zijn hoofd. Hij heeft gelijk. Niet op ingaan, dan blijft ze hier zeker niet. Ik laat het gaan en spreek met haar af dat ze in elk geval één nachtje blijft slapen om even bij te tanken.

Spaghetti-armpjes

Als ik ’s nachts onderweg naar huis ben, spoken de opmerkingen van beide patiënten nog steeds door mijn hoofd. Ergens kan ik het heus relativeren en begrijp ik de context waarin deze zieke vrouwen dit zeggen. Maar dat ik blijkbaar de associatie van een anorexiapatiënt blijf oproepen knaagt alsnog aan me. Zal ik weer opnieuw proberen aan te komen? Misschien moet ik dan toch een sportschoolabonnement nemen. Spieren wegen immers zwaarder dan vet, toch? Ik grinnik om mezelf. Nee. Ik ga me niet laten kennen door deze dames. Deze spaghetti-armpjes horen gewoon bij mij.

Nulmeting

Hoe gaat het écht met de jonge dokters van Nederland?

Het lijkt waarschijnlijk alweer even geleden dat je geneeskunde ging studeren. Vol ambitie startte je deze opleiding. Ondertussen ben je basisarts en zelfstandig aan de slag of ben je nog hard bezig je artsentitel te bemachtigen. Hoe kijk je nu naar je werk? Heb je nog dezelfde ambities? Wat zorg er voor dat je met een goed gevoel naar huis gaat? En wat voelt er minder goed?

De media staat vol met alarmerende berichten over de werkdruk in de zorg en hoge percentages burn-outs onder artsen. Er is echter heel veel dat we over nog níet weten over dit onderwerp. Met name over ANIOS en onderzoekers/promovendi zijn nauwelijks data beschikbaar. En gevalideerde testen naar factoren die van invloed kunnen zijn op werkstress en werkplezier ontbreken onder alle jonge dokters. Wat ligt er nou eigenlijk onder al die alarmerende signalen?

De Jonge Dokter wil hier samen met Alles is Gezondheid een realistischer beeld van krijgen. Alles is Gezondheid is onderdeel van het Nationaal Programma Preventie dat mogelijk gemaakt wordt door de Rijksoverheid. We werken daarnaast onder andere samen met onderzoekers van de Erasmus Universiteit en het Amsterdam Medisch Centrum. Zodat we de huidige situatie beter in kaart krijgen en ons zo nog beter in kunnen zetten voor goede en gezonde werkomstandigheden voor jonge dokters. Zo kunnen we samen de zorg weer een stukje beter maken.Dus bij dezen een oproep aan álle jonge dokters: vul onze nulmeting in via deze link. En voel je uiteraard vrij dit te verspreiden onder je collega’s!

Bas Vreugdenhil, één van onze teamleden van De Jonge Dokter:

Dokteren, wat is dat toch een mooi vak. Na ruim zeven jaar studeren heb ik afgelopen zomer mijn diploma mogen ontvangen. Lekker aan de slag dus! Ik ben zeker lekker aan de slag gegaan, maar niet als praktiserend arts.

En dat voelt best gek. Ruim zeven jaar bezig geweest om mezelf te bekwamen tot basisarts en ik besluit dan om niet als ANIOS te gaan werken. Ook geen promotie of onderwijs voor mij, maar een overstap naar de commerciële wereld. Tijdens mijn coschappen merkte ik dat ik naast oog voor de patiënt, veel oog had voor hoe processen in de zorg geregeld zijn. Hoe verder ik in een coschap kwam, hoe minder de kliniek mij daadwerkelijk boeide en hoe meer ik me bezig ging houden met het observeren en analyseren van het reilen en zeilen van dat specialisme. Dat merkten veel van de specialisten ook op. En hoewel sommigen dat wel wat vreemd vonden, konden anderen het vaak wel weer waarderen dat ik op die manier een andere kijk op zorg had.

Dat bracht me verderop in de master wel tot een steeds groter dilemma: moet ik wel gaan dokteren, of vind ik de organisatie, strategie en financiering van zorg zoveel interessanter dan de kliniek en moet ik daar in doorgaan? Veel mensen in mijn omgeving zeiden: ga eerst maar eens dokteren, Bas. Ga maar ervaring opdoen in de praktijk en besluit dan maar of het wat voor je is of niet. Mijn verstand zei ook dat dat een goed idee was. Ik had niet voor niets zeven jaar geïnvesteerd in die opleiding. Toch zei mijn gevoel wat anders.

Aan het einde van mijn coschappen kreeg ik de kans om een lang gekoesterde wens van mij tot uitvoer te brengen: het opbouwen van Young KINASE, een projectbureau voor geneeskundestudenten en basisartsen. En dat onder de vleugels van een consultancybureau waar alleen maar artsen en technisch geneeskundigen werken. Dit bracht mijn passie voor zowel het doktersvak als de mogelijkheid om mezelf bezig te houden met organisatie en strategie van zorg bij elkaar. Ook nu weer gemengde gevoelens en gemengde geluiden van mensen om me heen: is dit wel het juiste moment voor deze stap? Moet je dit nu wel doen? Weet je écht zo zeker dat je niet wil dokteren? Hoe doe je dat dan met je BIG-registratie? Gelukkig waren er ook mensen die zeiden: Bas, dit is een gouden kans, pak hem! Ik moet eerlijk zeggen, dat die vragen mij veel hebben bezig gehouden. Nu nog steeds wel eens.

Zo is mijn moeder heel trots op mij (geweest) dat ik geneeskunde ging studeren. Als doktersassistente en (later) praktijkondersteuner van de huisarts ademt ze al 30 jaar lang met veel passie de eerstelijnszorg. Om deze keuze met haar te bespreken en haar teleurstelling te zien dat ik de keuze heb gemaakt om voorlopig niet te dokteren; dat is echt lastig. Ik weet wel dat ze ook nu trots op me is, maar ik weet ook dat het haar pijn doet. Dan loop ik soms vast in mijn gedachten en ga ik weer op zoek naar compromissen, om haar (en misschien mezelf ook?) toch een beetje hoop te geven dat ik dat vak toch wel weer in ga rollen.

Ik heb deze kans nu gepakt en dat voelt tot nu toe erg goed. Het past helemaal bij mij om op deze manier met mijn achtergrond een klik te creëren tussen zorgorganisaties en jonge dokters (in spé) in allerlei zorgprojecten, waar allebei de partijen blij van worden. En of ik die witte jas nu echt aan de wilgen heb gehangen? Het kriebelt nog steeds hoor.. Maar nu eerst deze droom volgen!

Hallo, ik ben Meike en ik heb last van het imposter syndrome. Herken je het gevoel dat je eigenlijk onvoldoende kennis hebt, voor datgene wat je doet? Fake it till you make it? Het staat niet in de DSM-V, maar misschien is dat wel nodig.

Nooit had ik bedacht dat ik in de psychiatrie zou werken. Laat staan de kinder- en jeugdpsychiatrie. De mensen van Talent&Care dachten echter dat dit goed bij mij zou passen en daarop vertrouwende ben ik gaan solliciteren. Maar veel achtergrondkennis had ik dus niet. Na een maandje inwerktijd, draaide ik mijn allereerste dienst. Dat wil zeggen: bereikbaarheidsdienst in de avond en nacht tussen twee werkdagen in. Je bent dan als enige arts-assistent bereikbaar voor de hele instelling met een kinder- en jeugdpsychiater als achterwacht.

Psychotisch
Overdag werd een psychotische jongen aangemeld, die niet meer hanteerbaar of veilig was bij de instelling waar hij verbleef. Hij had de hele dag geprobeerd zichzelf te wurgen en van het balkon te springen. Omdat de stemmen in z’n hoofd zeiden dat hij dat moest doen. Na eindeloze pogingen om hem uit te plaatsen (we zaten vol) werd uiteindelijk besloten een klapbedje op de Acute Opname bij te zetten. Wetende dat hij ergens in de avond met de ambulance gebracht zou worden, kreeg ik steeds meer last van m’n zenuwen. Nog nooit had ik een psychotisch iemand gezien! Moet ik deze jongen nu opnemen, beoordelen en het beleid gaan bepalen? Help!

‘Lagen de patiënt en ik ineens samen op de grond. Lekker begin’

Dus heb ik de achterwacht gebeld, situatie uitgelegd en de psychiater zou gelukkig ‘in huis’ komen.  Zodat we het samen konden doen. Maar ze moest nog wel een tijdje rijden voordat ze ter plaatse was. De ambulance kwam eerder dan verwacht en de jongen werd al de Acute Opname binnengereden. Dus ik begon toch maar vast met het gesprek. De jongen lag vastgebonden op de brancard. Toen ik hem naar de spreekkamer wilde helpen: Plof! Viel hij bij het afstappen zo de brancard af. Ik probeerde hem nog op te vangen, maar helaas. Daar lagen we met z’n tweeën op de grond. Door alle benzo’s die hij had gehad, ontbrak bij hem de kracht in zijn benen om weer op te staan. Gelukkig tilden de gespierde ambulanciers hem weer op zijn klapbed, maar dat begon dus lekker.

Beestjes uit de oren
Ik ademde diep in en begon mijn gesprek. De informatieverwerking bij de patiënt verliep langzaam, alsof hij tegelijkertijd nog 100 andere mensen tegen hem hoorde praten. Hij keek me achterdochtig aan en leek te verbloemen dat hij dingen hoorde en zag, die er niet waren. Als ik mijn aandacht op zijn familie richtte, plukte hij in de lucht. Later keek hij gebiologeerd naar de oren van de sociotherapeut. Met zijn gezicht op zo’n 20 cm afstand van de hare beschreef hij de oranje beestjes, die uit haar oren kwamen. Nu snapte ik wat men bedoelt met psychotisch zijn.

De rest van de nacht vulde zich met telefoontjes van de sociotherapeuten:

‘Mag hij nog meer benzo’s?’
‘Prima, maar pas over één uur, anders krijgt hij te veel achter elkaar.’

‘Hij is niet te houden. Ik moet de hele tijd achter hem aanlopen en bij alle deuren weghouden, zodat hij niet ontsnapt of andere jongeren wakker maakt. Daarnaast zakt hij steeds door z’n benen. Kan hij niet naar de separeer?’
‘Nee, hoe lastig en bewerkelijk hij ook is, hij is niet agressief of gevaarlijk. Dus hij mag niet naar de separeer.’

De hele avond dacht ik: Moet ik jullie nou adviseren over wat je doen moet? Met die ene maand ervaring, die ik heb? Ik had het gevoel dat ik elk moment door de mand kon vallen. Ze zouden er vast achter komen, dat ik eigenlijk helemaal niets wist.

Frisse moed
Goed dan, de vuurdoop had ik achter de rug. Iedereen verzekerde me dat de diensten normaal minder heftig waren. Dus met frisse moed begon ik aan m’n tweede dienst. Ik zat nog wat administratie af te handelen en wilde net naar huis gaan, toen mijn diensttelefoon afging. ‘Er is een ernstig geweldsincident op het terrein.’ Er was alarm gemaakt en sociotherapeuten van verschillende afdelingen hadden de agressieve jongen inmiddels overmeesterd. Ze belden om grof geschut in te zetten. Daarmee bedoelden ze mij!

Ik vond hen in de tuin. De 15-jarige jongen lag al scheldend en tierend op zijn buik. Vijf sociotherapeuten hielden hem op de grond gepind, maar hij bleef zich verzetten. Wat was er nou gebeurd? De autistische jongen met emotieregulatie problemen ging door het lint, toen andere jongeren ongevraagd zijn voetbal hadden gepakt. De drie sociotherapeuten die hem probeerden te kalmeren, hadden allemaal verwondingen. Een opgezette kaak, een bijtwond, een gekneusde duim en een flinke bult. Juist! Wat te doen?

‘Onhandig kroop ik tussen de heg en de jongen, zodat hij me kon zien’

Onhandig kroop ik tussen de heg en de jongen, zodat hij me kon zien. Ik moest mijn hoofd hiervoor bijna op de grond leggen, super professioneel natuurlijk. Hij bleef roepen dat z’n arm zo’n pijn deed. Als hij stopte met vloeken en rustig bleef liggen, mocht de sociotherapeut van mij zijn arm ietsje los laten. Dit lukte en hij kalmeerde een beetje. Al pratend konden de therapeuten, met kleine tussenstapjes, hem steeds meer loslaten. Twee sociotherapeuten hielpen hem overeind en begeleidden hem naar de afzonderingsruimte.

We spraken met hem af dat hij tijd zou krijgen om af te koelen. Over een kwartier zouden we terugkomen. Door veel op hem in te praten, te onderhandelen, een grote berg geduld en vooral de belofte dat hij zijn moeder mocht bellen, kregen we hem vrijwillig gesepareerd voor de nacht. Terwijl hij bijkwam van alle hectiek en stress van het afgelopen uur, deden de therapeuten en ik dat ook. In alle rust verbond ik de gewonde sociotherapeuten en zakte ons adrenalineniveau weer langzaam naar normaal.

Hoofd koel houden
Opnieuw dacht ik: Hoe weet ik nou wat ik moet doen?! Ik bleef het gevoel houden dat ik de boel belazerde. Dat collega’s elk moment konden uitvinden, dat ik eigenlijk helemaal niets wist. Maar met behulp van mijn achterwacht, de protocollen op intranet, de geneesheerdirecteur, common sense en vooral het hoofd koel houden, kwam ik er uiteindelijk toch telkens weer uit.

‘Heb jij het gevoel dat jij de enige bent, die onvoldoende kennis heeft voor het werk dat je doet?’

Heb jij ook het gevoel dat jij de enige bent, die onvoldoende kennis heeft voor het werk dat ik doet? Dan heb jij mogelijk ook last van het imposter syndrome. Ik kan je geruststellen! Ik heb ontdekt, dat ik niet de enige ben. Ik moest wel de harde realiteit onder ogen zien en opbiechten dat ik me soms een beetje een bedrieger voel. En wat ontdekte ik? Ook die arts-assistent, die super zeker van zichzelf lijkt te zijn, blijkt hier last van te hebben. Evenals die ene vriendin die altijd een stap voor lijkt te lopen op de rest. Zelfs m’n supervisor voelt zich nog regelmatig onzeker. Say what?!

Daarom wil ik alle andere startende artsen een hart onder de riem steken: je bent niet alleen! Welcome to the club.

Sinds kort volg ik de opleiding tot bedrijfsarts. Na allerlei omzwervingen heb ik met veel enthousiasme voor deze richting gekozen – bij Arbo Unie doe ik onder toezicht van mijn arts-begeleider al praktijkervaring op.

Toen ik geneeskunde ging studeren, had ik dat niet verwacht. Mijn droom was chirurg worden. Ik wilde levens redden, mensen beter maken. Maar hoe dichter ik bij die droom kwam, hoe meer ik me realiseerde dat aan die heroïek nadelen kleefden die mij zwaarder vielen dan voorzien: lange dagen, onregelmatige werktijden, nachtdiensten. Ik zag ook niet hoe ik de combinatie kon maken met mijn andere droom: een gezin en balans tussen werk en privé.

Wat dan? Andere specialismen in het ziekenhuis trokken mij minder, terwijl ze dezelfde keerzijde hadden. Iets minder extreem misschien, maar nog steeds pittig. Ik besloot mijn werkgeluk te zoeken buiten het ziekenhuis. Eerst als verzekeringsarts, maar ook daar vond ik het niet. Voor mij was het te veel papierwerk en te weinig gericht op herstel en verbetering. Het ging er vooral om of mensen in aanmerking kwamen voor een ziektewetuitkering.

Mijn volgende stap was de farmaceutische industrie. Op de medische afdeling van een grote geneesmiddelenontwikkelaar begeleidde ik onder meer studies naar nieuwe medicatie, hield ik wetenschappelijke ontwikkelingen bij, deed ik onderzoeksvoorstellen en gaf ik trainingen over de middelen die we op de markt brachten. Mooi en boeiend werk, maar uiteindelijk waren voor mij de doorgroeimogelijkheden te beperkt. Daarvoor zou ik naar het hoofdkantoor in Zwitserland moeten. Mijn werkgever zag dat graag gebeuren, maar thuis was de afspraak dat we wel klaar waren met verhuizen. Bovendien miste ik de directe patiëntenzorg.

Zo stond ik na zeven jaar opnieuw op een kruispunt. Dit keer nam ik de afslag naar de bedrijfsgeneeskunde. In eerste instantie enigszins huiverend; ik was bang dat het werk veel leek op dat van een verzekeringsarts. Ik ben daarom eerst met verschillende arbodiensten gaan praten en heb met een aantal bedrijfsartsen meegelopen. Toen raakte ik snel overtuigd: dit is echt iets voor mij!

Een van de mooie kanten van dit vak is dat je kijkt naar de totale mens: naar lichaam en geest, naar werk én privé. In het ziekenhuis ben je voornamelijk bezig met de medische inhoud en veel minder met wie je tegenover je hebt, met hoe diegene in het leven staat. In mijn huidige werk ligt dáár juist veel nadruk op: hoe help je iemand balans te vinden of ondanks klachten zijn of haar werk te doen? Waar zit de bottleneck? Wat voor behandelplan past daarbij? Soms kun je met kleine aanpassingen al veel bereiken, zoals een betere stoel voor iemand met rugklachten. Of flexibelere werktijden voor een medewerker die tijd nodig heeft voor mantelzorg.

Je komt met de meest uiteenlopende mensen en klachten in aanraking en ondertussen zit je bij grote en kleine organisaties aan de directietafel om te adviseren over hoe ze zorgen dat hun medewerkers goed in hun vel zitten, onder gezonde, veilige omstandigheden werken, minder snel uitvallen.

Die aandacht voor preventie heb ik nergens zo sterk gevoeld als bij Arbo Unie. Voor mij was dat een belangrijke reden om voor deze werkgever te kiezen: juist op dat vlak is nog veel terrein te winnen. Ook dat Arbo Unie zo veel disciplines in eigen huis heeft, sprak me aan. Van arbeidshygiënisten tot ergonomen, psychologen, organisatiedeskundigen en een afdeling die gespecialiseerd is in revalidatie. Dat maakt dat de lijnen kort zijn, waardoor we veel van elkaar leren en elkaar versterken.

Ik zit helemaal op mijn plek. De begeleiding is fantastisch – dat ondervind ikzelf als zij-instromer, en ik hoor het ook van collega’s die bij Arbo Unie het speciale arts-traineeprogramma volgen. Oké, de hectiek van de chirurgie, de heroïek van het gevecht op leven en dood, die mis je. Maar wat je terugkrijgt, weegt voor mij zwaarder: afwisselend werk in een vakgebied dat sterk in beweging is en dat – terecht – steeds meer aandacht krijgt. En dat binnen kantooruren. Wat wil je nog meer?

Deze week schreef Wouter een blog voor Skipr over medische fouten. Lees hieronder de blog of vind deze op Skipr.nl via de link onderaan dit bericht.

Fouten maken, zo eng en ook zo onvermijdelijk. Het maken van fouten is het engste wat hoort bij werken in de zorg. Eerder gemaakte fouten maken je onzeker en de twijfel over mogelijk nieuwe fouten houden je ’s nachts wakker. En dat terwijl je nu al weet dat je meer fouten zult maken en dat hier mogelijk mensen door zullen sterven.

Erover praten is lastig, je moet deze fouten immers eerst aan jezelf en daarna ook nog aan je omgeving toegeven. Het voelt alsof je toegeeft niet bekwaam te zijn in het werk waarvoor je bent opgeleid en wat je doet. Alsof je zegt: “mensen zouden mij eigenlijk niet hun gezondheid moeten toe vertrouwen”. Dit vertrouwen is juist cruciaal voor het kunnen geven van goede zorg. Als je geen vertrouwen hebt in je kunnen gaat dat niet.

Stoerdoenerij

Bij het maken van een fout is je neiging om je stoer op te stellen. Door de fout te ontkennen of, als dat niet gaat, je groot te houden en de situatie te rationaliseren. Dit is echter niet meer dan symptoombestrijding. Uiterlijk vertoon komt vaak niet overeen met de innerlijke schaamte die je voelt. Logica en gevoelens kunnen elkaar hierin tegenspreken. Stoer doen zorgt er misschien voor dat een fout kleiner lijkt, maar staat het leren van de fout in de weg. Dit terwijl onderzoek aantoont dat mensen juist het leren na een fout belangrijk vinden. Slachtoffers van een fout zijn vaak niet uit op geld, maar willen dat deze een volgende keer voorkomen wordt. Stoerdoenerij staat daaraan in de weg.

Nazorg voor zorgverleners

Menselijk zijn door je zacht en kwetsbaar op te stellen is niet fout, maar wel moeilijk. Naast aandacht voor betrokken patiënten is daarom ook aandacht nodig voor zorgverleners die betrokken zijn bij een incident. Net als dat de NS verantwoordelijk is voor de nazorg voor haar machinisten na een zelfmoord voor hun trein, is het in de zorg belangrijk te zorgen voor onze zorgverleners na incidenten. Dit moet zowel komen van naaste collega’s als vanuit de organisatie. Al is het maar omdat je mensen anders kwijtraakt. Of het om een fout, bijna fout of gewoon pech ging maakt hierbij niet uit. Door erover te praten kan geleerd worden van deze situaties. Complicatiebesprekingen die enkel ingaan op medisch-technische problemen schieten dan vaak te kort. Fouten hebben bijna altijd een systemische oorzaak. Van deze fouten kan enkel geleerd worden door ook naar dit systeem te kijken, er met elkaar over te praten en beter leren samen te werken. Aandacht voor de betrokken zorgverleners en hoe zij een incident ervoeren is van cruciaal belang. Fouten maken is onvermijdelijk en doe je niet bewust.

Zwaard van Damocles

Zoals Daniel Kahneman in zijn boek Thinking fast, thinking slow al liet zien is het een illusie dat een aanspreekcultuur aan verbetering bijdraagt. Nadat mensen iets fout hebben gedaan is de kans sowieso groot dat zij het de volgende keer beter doen. Het benoemen van hun fouten draagt dan niets bij en ondermijnt enkel het vertrouwen dat een zorgverlener nodig heeft om zijn werk goed te doen. Positieve feedback werkt altijd beter. Ook een ‘just culture’ is gevaarlijk, want wie bepaalt wat ‘just’ is? Zolang er een zwaard van Damocles boven de werkvloer van zorgverleners hangt zullen zij hier nooit volledig open kunnen zijn. Als wij oprecht willen leren van fouten is het bieden van een onvoorwaardelijk veilige omgeving de enige optie.

De taak van zorgverleners zelf hierin is het leren praten over eigen fouten en het steunen van collega’s die een fout maakten. De taak van organisaties om te zorgen voor een veilige werkomgeving. Uiteraard moet roekeloosheid in het werk voorkomen worden. De onafhankelijke tuchtrechter is er om daarover te oordelen. Dat is moeten wij misschien maar zo laten.

https://www.skipr.nl/blogs/id4029-stoerdoenerij-staat-leren-van-medische-fouten-in-de-weg.html

Voor haar discussie tijdens NRC Live op 5 november heeft Mia een fantastisch opiniestuk geschreven over een van de grootste problemen in de werkcultuur onder artsen: een onveilig werkklimaat. Het schaadt niet alleen artsen zelf, maar leidt ook tot slechtere zorg voor patiënten. Tijd om daar iets aan te doen!

https://nrclive.nl/onveilig-werkklimaat-onder-artsen-schaadt-de-zorg/

“Het maken van medische missers leeft onder artsen, omdat het niet leeft.”

Gisteren ging de uitzending van Nieuwlicht over de hoge werkdruk en tekorten onder huisartsen. Onze eigen Wouter werd daarvoor geïnterviewd: over hoe de hoge werkdruk kan leiden tot medische fouten, over zijn eigen fout en wat dat met hem deed.

https://nieuwlicht.eo.nl/artikelen/2019/10/meer-openheid-voor-medische-missers/