Bas Vreugdenhil, één van onze teamleden van De Jonge Dokter:

Dokteren, wat is dat toch een mooi vak. Na ruim zeven jaar studeren heb ik afgelopen zomer mijn diploma mogen ontvangen. Lekker aan de slag dus! Ik ben zeker lekker aan de slag gegaan, maar niet als praktiserend arts.

En dat voelt best gek. Ruim zeven jaar bezig geweest om mezelf te bekwamen tot basisarts en ik besluit dan om niet als ANIOS te gaan werken. Ook geen promotie of onderwijs voor mij, maar een overstap naar de commerciële wereld. Tijdens mijn coschappen merkte ik dat ik naast oog voor de patiënt, veel oog had voor hoe processen in de zorg geregeld zijn. Hoe verder ik in een coschap kwam, hoe minder de kliniek mij daadwerkelijk boeide en hoe meer ik me bezig ging houden met het observeren en analyseren van het reilen en zeilen van dat specialisme. Dat merkten veel van de specialisten ook op. En hoewel sommigen dat wel wat vreemd vonden, konden anderen het vaak wel weer waarderen dat ik op die manier een andere kijk op zorg had.

Dat bracht me verderop in de master wel tot een steeds groter dilemma: moet ik wel gaan dokteren, of vind ik de organisatie, strategie en financiering van zorg zoveel interessanter dan de kliniek en moet ik daar in doorgaan? Veel mensen in mijn omgeving zeiden: ga eerst maar eens dokteren, Bas. Ga maar ervaring opdoen in de praktijk en besluit dan maar of het wat voor je is of niet. Mijn verstand zei ook dat dat een goed idee was. Ik had niet voor niets zeven jaar geïnvesteerd in die opleiding. Toch zei mijn gevoel wat anders.

Aan het einde van mijn coschappen kreeg ik de kans om een lang gekoesterde wens van mij tot uitvoer te brengen: het opbouwen van Young KINASE, een projectbureau voor geneeskundestudenten en basisartsen. En dat onder de vleugels van een consultancybureau waar alleen maar artsen en technisch geneeskundigen werken. Dit bracht mijn passie voor zowel het doktersvak als de mogelijkheid om mezelf bezig te houden met organisatie en strategie van zorg bij elkaar. Ook nu weer gemengde gevoelens en gemengde geluiden van mensen om me heen: is dit wel het juiste moment voor deze stap? Moet je dit nu wel doen? Weet je écht zo zeker dat je niet wil dokteren? Hoe doe je dat dan met je BIG-registratie? Gelukkig waren er ook mensen die zeiden: Bas, dit is een gouden kans, pak hem! Ik moet eerlijk zeggen, dat die vragen mij veel hebben bezig gehouden. Nu nog steeds wel eens.

Zo is mijn moeder heel trots op mij (geweest) dat ik geneeskunde ging studeren. Als doktersassistente en (later) praktijkondersteuner van de huisarts ademt ze al 30 jaar lang met veel passie de eerstelijnszorg. Om deze keuze met haar te bespreken en haar teleurstelling te zien dat ik de keuze heb gemaakt om voorlopig niet te dokteren; dat is echt lastig. Ik weet wel dat ze ook nu trots op me is, maar ik weet ook dat het haar pijn doet. Dan loop ik soms vast in mijn gedachten en ga ik weer op zoek naar compromissen, om haar (en misschien mezelf ook?) toch een beetje hoop te geven dat ik dat vak toch wel weer in ga rollen.

Ik heb deze kans nu gepakt en dat voelt tot nu toe erg goed. Het past helemaal bij mij om op deze manier met mijn achtergrond een klik te creëren tussen zorgorganisaties en jonge dokters (in spé) in allerlei zorgprojecten, waar allebei de partijen blij van worden. En of ik die witte jas nu echt aan de wilgen heb gehangen? Het kriebelt nog steeds hoor.. Maar nu eerst deze droom volgen!

Hallo, ik ben Meike en ik heb last van het imposter syndrome. Herken je het gevoel dat je eigenlijk onvoldoende kennis hebt, voor datgene wat je doet? Fake it till you make it? Het staat niet in de DSM-V, maar misschien is dat wel nodig.

Nooit had ik bedacht dat ik in de psychiatrie zou werken. Laat staan de kinder- en jeugdpsychiatrie. De mensen van Talent&Care dachten echter dat dit goed bij mij zou passen en daarop vertrouwende ben ik gaan solliciteren. Maar veel achtergrondkennis had ik dus niet. Na een maandje inwerktijd, draaide ik mijn allereerste dienst. Dat wil zeggen: bereikbaarheidsdienst in de avond en nacht tussen twee werkdagen in. Je bent dan als enige arts-assistent bereikbaar voor de hele instelling met een kinder- en jeugdpsychiater als achterwacht.

Psychotisch
Overdag werd een psychotische jongen aangemeld, die niet meer hanteerbaar of veilig was bij de instelling waar hij verbleef. Hij had de hele dag geprobeerd zichzelf te wurgen en van het balkon te springen. Omdat de stemmen in z’n hoofd zeiden dat hij dat moest doen. Na eindeloze pogingen om hem uit te plaatsen (we zaten vol) werd uiteindelijk besloten een klapbedje op de Acute Opname bij te zetten. Wetende dat hij ergens in de avond met de ambulance gebracht zou worden, kreeg ik steeds meer last van m’n zenuwen. Nog nooit had ik een psychotisch iemand gezien! Moet ik deze jongen nu opnemen, beoordelen en het beleid gaan bepalen? Help!

‘Lagen de patiënt en ik ineens samen op de grond. Lekker begin’

Dus heb ik de achterwacht gebeld, situatie uitgelegd en de psychiater zou gelukkig ‘in huis’ komen.  Zodat we het samen konden doen. Maar ze moest nog wel een tijdje rijden voordat ze ter plaatse was. De ambulance kwam eerder dan verwacht en de jongen werd al de Acute Opname binnengereden. Dus ik begon toch maar vast met het gesprek. De jongen lag vastgebonden op de brancard. Toen ik hem naar de spreekkamer wilde helpen: Plof! Viel hij bij het afstappen zo de brancard af. Ik probeerde hem nog op te vangen, maar helaas. Daar lagen we met z’n tweeën op de grond. Door alle benzo’s die hij had gehad, ontbrak bij hem de kracht in zijn benen om weer op te staan. Gelukkig tilden de gespierde ambulanciers hem weer op zijn klapbed, maar dat begon dus lekker.

Beestjes uit de oren
Ik ademde diep in en begon mijn gesprek. De informatieverwerking bij de patiënt verliep langzaam, alsof hij tegelijkertijd nog 100 andere mensen tegen hem hoorde praten. Hij keek me achterdochtig aan en leek te verbloemen dat hij dingen hoorde en zag, die er niet waren. Als ik mijn aandacht op zijn familie richtte, plukte hij in de lucht. Later keek hij gebiologeerd naar de oren van de sociotherapeut. Met zijn gezicht op zo’n 20 cm afstand van de hare beschreef hij de oranje beestjes, die uit haar oren kwamen. Nu snapte ik wat men bedoelt met psychotisch zijn.

De rest van de nacht vulde zich met telefoontjes van de sociotherapeuten:

‘Mag hij nog meer benzo’s?’
‘Prima, maar pas over één uur, anders krijgt hij te veel achter elkaar.’

‘Hij is niet te houden. Ik moet de hele tijd achter hem aanlopen en bij alle deuren weghouden, zodat hij niet ontsnapt of andere jongeren wakker maakt. Daarnaast zakt hij steeds door z’n benen. Kan hij niet naar de separeer?’
‘Nee, hoe lastig en bewerkelijk hij ook is, hij is niet agressief of gevaarlijk. Dus hij mag niet naar de separeer.’

De hele avond dacht ik: Moet ik jullie nou adviseren over wat je doen moet? Met die ene maand ervaring, die ik heb? Ik had het gevoel dat ik elk moment door de mand kon vallen. Ze zouden er vast achter komen, dat ik eigenlijk helemaal niets wist.

Frisse moed
Goed dan, de vuurdoop had ik achter de rug. Iedereen verzekerde me dat de diensten normaal minder heftig waren. Dus met frisse moed begon ik aan m’n tweede dienst. Ik zat nog wat administratie af te handelen en wilde net naar huis gaan, toen mijn diensttelefoon afging. ‘Er is een ernstig geweldsincident op het terrein.’ Er was alarm gemaakt en sociotherapeuten van verschillende afdelingen hadden de agressieve jongen inmiddels overmeesterd. Ze belden om grof geschut in te zetten. Daarmee bedoelden ze mij!

Ik vond hen in de tuin. De 15-jarige jongen lag al scheldend en tierend op zijn buik. Vijf sociotherapeuten hielden hem op de grond gepind, maar hij bleef zich verzetten. Wat was er nou gebeurd? De autistische jongen met emotieregulatie problemen ging door het lint, toen andere jongeren ongevraagd zijn voetbal hadden gepakt. De drie sociotherapeuten die hem probeerden te kalmeren, hadden allemaal verwondingen. Een opgezette kaak, een bijtwond, een gekneusde duim en een flinke bult. Juist! Wat te doen?

‘Onhandig kroop ik tussen de heg en de jongen, zodat hij me kon zien’

Onhandig kroop ik tussen de heg en de jongen, zodat hij me kon zien. Ik moest mijn hoofd hiervoor bijna op de grond leggen, super professioneel natuurlijk. Hij bleef roepen dat z’n arm zo’n pijn deed. Als hij stopte met vloeken en rustig bleef liggen, mocht de sociotherapeut van mij zijn arm ietsje los laten. Dit lukte en hij kalmeerde een beetje. Al pratend konden de therapeuten, met kleine tussenstapjes, hem steeds meer loslaten. Twee sociotherapeuten hielpen hem overeind en begeleidden hem naar de afzonderingsruimte.

We spraken met hem af dat hij tijd zou krijgen om af te koelen. Over een kwartier zouden we terugkomen. Door veel op hem in te praten, te onderhandelen, een grote berg geduld en vooral de belofte dat hij zijn moeder mocht bellen, kregen we hem vrijwillig gesepareerd voor de nacht. Terwijl hij bijkwam van alle hectiek en stress van het afgelopen uur, deden de therapeuten en ik dat ook. In alle rust verbond ik de gewonde sociotherapeuten en zakte ons adrenalineniveau weer langzaam naar normaal.

Hoofd koel houden
Opnieuw dacht ik: Hoe weet ik nou wat ik moet doen?! Ik bleef het gevoel houden dat ik de boel belazerde. Dat collega’s elk moment konden uitvinden, dat ik eigenlijk helemaal niets wist. Maar met behulp van mijn achterwacht, de protocollen op intranet, de geneesheerdirecteur, common sense en vooral het hoofd koel houden, kwam ik er uiteindelijk toch telkens weer uit.

‘Heb jij het gevoel dat jij de enige bent, die onvoldoende kennis heeft voor het werk dat je doet?’

Heb jij ook het gevoel dat jij de enige bent, die onvoldoende kennis heeft voor het werk dat ik doet? Dan heb jij mogelijk ook last van het imposter syndrome. Ik kan je geruststellen! Ik heb ontdekt, dat ik niet de enige ben. Ik moest wel de harde realiteit onder ogen zien en opbiechten dat ik me soms een beetje een bedrieger voel. En wat ontdekte ik? Ook die arts-assistent, die super zeker van zichzelf lijkt te zijn, blijkt hier last van te hebben. Evenals die ene vriendin die altijd een stap voor lijkt te lopen op de rest. Zelfs m’n supervisor voelt zich nog regelmatig onzeker. Say what?!

Daarom wil ik alle andere startende artsen een hart onder de riem steken: je bent niet alleen! Welcome to the club.

Sinds kort volg ik de opleiding tot bedrijfsarts. Na allerlei omzwervingen heb ik met veel enthousiasme voor deze richting gekozen – bij Arbo Unie doe ik onder toezicht van mijn arts-begeleider al praktijkervaring op.

Toen ik geneeskunde ging studeren, had ik dat niet verwacht. Mijn droom was chirurg worden. Ik wilde levens redden, mensen beter maken. Maar hoe dichter ik bij die droom kwam, hoe meer ik me realiseerde dat aan die heroïek nadelen kleefden die mij zwaarder vielen dan voorzien: lange dagen, onregelmatige werktijden, nachtdiensten. Ik zag ook niet hoe ik de combinatie kon maken met mijn andere droom: een gezin en balans tussen werk en privé.

Wat dan? Andere specialismen in het ziekenhuis trokken mij minder, terwijl ze dezelfde keerzijde hadden. Iets minder extreem misschien, maar nog steeds pittig. Ik besloot mijn werkgeluk te zoeken buiten het ziekenhuis. Eerst als verzekeringsarts, maar ook daar vond ik het niet. Voor mij was het te veel papierwerk en te weinig gericht op herstel en verbetering. Het ging er vooral om of mensen in aanmerking kwamen voor een ziektewetuitkering.

Mijn volgende stap was de farmaceutische industrie. Op de medische afdeling van een grote geneesmiddelenontwikkelaar begeleidde ik onder meer studies naar nieuwe medicatie, hield ik wetenschappelijke ontwikkelingen bij, deed ik onderzoeksvoorstellen en gaf ik trainingen over de middelen die we op de markt brachten. Mooi en boeiend werk, maar uiteindelijk waren voor mij de doorgroeimogelijkheden te beperkt. Daarvoor zou ik naar het hoofdkantoor in Zwitserland moeten. Mijn werkgever zag dat graag gebeuren, maar thuis was de afspraak dat we wel klaar waren met verhuizen. Bovendien miste ik de directe patiëntenzorg.

Zo stond ik na zeven jaar opnieuw op een kruispunt. Dit keer nam ik de afslag naar de bedrijfsgeneeskunde. In eerste instantie enigszins huiverend; ik was bang dat het werk veel leek op dat van een verzekeringsarts. Ik ben daarom eerst met verschillende arbodiensten gaan praten en heb met een aantal bedrijfsartsen meegelopen. Toen raakte ik snel overtuigd: dit is echt iets voor mij!

Een van de mooie kanten van dit vak is dat je kijkt naar de totale mens: naar lichaam en geest, naar werk én privé. In het ziekenhuis ben je voornamelijk bezig met de medische inhoud en veel minder met wie je tegenover je hebt, met hoe diegene in het leven staat. In mijn huidige werk ligt dáár juist veel nadruk op: hoe help je iemand balans te vinden of ondanks klachten zijn of haar werk te doen? Waar zit de bottleneck? Wat voor behandelplan past daarbij? Soms kun je met kleine aanpassingen al veel bereiken, zoals een betere stoel voor iemand met rugklachten. Of flexibelere werktijden voor een medewerker die tijd nodig heeft voor mantelzorg.

Je komt met de meest uiteenlopende mensen en klachten in aanraking en ondertussen zit je bij grote en kleine organisaties aan de directietafel om te adviseren over hoe ze zorgen dat hun medewerkers goed in hun vel zitten, onder gezonde, veilige omstandigheden werken, minder snel uitvallen.

Die aandacht voor preventie heb ik nergens zo sterk gevoeld als bij Arbo Unie. Voor mij was dat een belangrijke reden om voor deze werkgever te kiezen: juist op dat vlak is nog veel terrein te winnen. Ook dat Arbo Unie zo veel disciplines in eigen huis heeft, sprak me aan. Van arbeidshygiënisten tot ergonomen, psychologen, organisatiedeskundigen en een afdeling die gespecialiseerd is in revalidatie. Dat maakt dat de lijnen kort zijn, waardoor we veel van elkaar leren en elkaar versterken.

Ik zit helemaal op mijn plek. De begeleiding is fantastisch – dat ondervind ikzelf als zij-instromer, en ik hoor het ook van collega’s die bij Arbo Unie het speciale arts-traineeprogramma volgen. Oké, de hectiek van de chirurgie, de heroïek van het gevecht op leven en dood, die mis je. Maar wat je terugkrijgt, weegt voor mij zwaarder: afwisselend werk in een vakgebied dat sterk in beweging is en dat – terecht – steeds meer aandacht krijgt. En dat binnen kantooruren. Wat wil je nog meer?

Deze week schreef Wouter een blog voor Skipr over medische fouten. Lees hieronder de blog of vind deze op Skipr.nl via de link onderaan dit bericht.

Fouten maken, zo eng en ook zo onvermijdelijk. Het maken van fouten is het engste wat hoort bij werken in de zorg. Eerder gemaakte fouten maken je onzeker en de twijfel over mogelijk nieuwe fouten houden je ’s nachts wakker. En dat terwijl je nu al weet dat je meer fouten zult maken en dat hier mogelijk mensen door zullen sterven.

Erover praten is lastig, je moet deze fouten immers eerst aan jezelf en daarna ook nog aan je omgeving toegeven. Het voelt alsof je toegeeft niet bekwaam te zijn in het werk waarvoor je bent opgeleid en wat je doet. Alsof je zegt: “mensen zouden mij eigenlijk niet hun gezondheid moeten toe vertrouwen”. Dit vertrouwen is juist cruciaal voor het kunnen geven van goede zorg. Als je geen vertrouwen hebt in je kunnen gaat dat niet.

Stoerdoenerij

Bij het maken van een fout is je neiging om je stoer op te stellen. Door de fout te ontkennen of, als dat niet gaat, je groot te houden en de situatie te rationaliseren. Dit is echter niet meer dan symptoombestrijding. Uiterlijk vertoon komt vaak niet overeen met de innerlijke schaamte die je voelt. Logica en gevoelens kunnen elkaar hierin tegenspreken. Stoer doen zorgt er misschien voor dat een fout kleiner lijkt, maar staat het leren van de fout in de weg. Dit terwijl onderzoek aantoont dat mensen juist het leren na een fout belangrijk vinden. Slachtoffers van een fout zijn vaak niet uit op geld, maar willen dat deze een volgende keer voorkomen wordt. Stoerdoenerij staat daaraan in de weg.

Nazorg voor zorgverleners

Menselijk zijn door je zacht en kwetsbaar op te stellen is niet fout, maar wel moeilijk. Naast aandacht voor betrokken patiënten is daarom ook aandacht nodig voor zorgverleners die betrokken zijn bij een incident. Net als dat de NS verantwoordelijk is voor de nazorg voor haar machinisten na een zelfmoord voor hun trein, is het in de zorg belangrijk te zorgen voor onze zorgverleners na incidenten. Dit moet zowel komen van naaste collega’s als vanuit de organisatie. Al is het maar omdat je mensen anders kwijtraakt. Of het om een fout, bijna fout of gewoon pech ging maakt hierbij niet uit. Door erover te praten kan geleerd worden van deze situaties. Complicatiebesprekingen die enkel ingaan op medisch-technische problemen schieten dan vaak te kort. Fouten hebben bijna altijd een systemische oorzaak. Van deze fouten kan enkel geleerd worden door ook naar dit systeem te kijken, er met elkaar over te praten en beter leren samen te werken. Aandacht voor de betrokken zorgverleners en hoe zij een incident ervoeren is van cruciaal belang. Fouten maken is onvermijdelijk en doe je niet bewust.

Zwaard van Damocles

Zoals Daniel Kahneman in zijn boek Thinking fast, thinking slow al liet zien is het een illusie dat een aanspreekcultuur aan verbetering bijdraagt. Nadat mensen iets fout hebben gedaan is de kans sowieso groot dat zij het de volgende keer beter doen. Het benoemen van hun fouten draagt dan niets bij en ondermijnt enkel het vertrouwen dat een zorgverlener nodig heeft om zijn werk goed te doen. Positieve feedback werkt altijd beter. Ook een ‘just culture’ is gevaarlijk, want wie bepaalt wat ‘just’ is? Zolang er een zwaard van Damocles boven de werkvloer van zorgverleners hangt zullen zij hier nooit volledig open kunnen zijn. Als wij oprecht willen leren van fouten is het bieden van een onvoorwaardelijk veilige omgeving de enige optie.

De taak van zorgverleners zelf hierin is het leren praten over eigen fouten en het steunen van collega’s die een fout maakten. De taak van organisaties om te zorgen voor een veilige werkomgeving. Uiteraard moet roekeloosheid in het werk voorkomen worden. De onafhankelijke tuchtrechter is er om daarover te oordelen. Dat is moeten wij misschien maar zo laten.

https://www.skipr.nl/blogs/id4029-stoerdoenerij-staat-leren-van-medische-fouten-in-de-weg.html

Voor haar discussie tijdens NRC Live op 5 november heeft Mia een fantastisch opiniestuk geschreven over een van de grootste problemen in de werkcultuur onder artsen: een onveilig werkklimaat. Het schaadt niet alleen artsen zelf, maar leidt ook tot slechtere zorg voor patiënten. Tijd om daar iets aan te doen!

https://nrclive.nl/onveilig-werkklimaat-onder-artsen-schaadt-de-zorg/

“Het maken van medische missers leeft onder artsen, omdat het niet leeft.”

Gisteren ging de uitzending van Nieuwlicht over de hoge werkdruk en tekorten onder huisartsen. Onze eigen Wouter werd daarvoor geïnterviewd: over hoe de hoge werkdruk kan leiden tot medische fouten, over zijn eigen fout en wat dat met hem deed.

https://nieuwlicht.eo.nl/artikelen/2019/10/meer-openheid-voor-medische-missers/

Door Mia Wessels

Hij leek wel een verloren superheld. Met een gouden metallic warmtedeken over zijn schouders liep hij in een fietspakje op klikschoenen over en weer door de gang van de spoedeisende hulp. In zijn hand hield hij een verschrompeld plastic bekertje, eerder gevuld met ziekenhuisthee. Zijn schoenen maakten een klikkend geluid op het linoleum terwijl hij ijsberend wachtte op mij. Ik lag onder de CT-scan nadat ik in een crashroom was overgedragen door de ambulancebroeders.

We hadden die ochtend besloten te gaan mountainbiken. Ik wilde dat graag. Het was een koude maar prachtige zondagochtend. We fietsten onder een blauwe lucht tussen hoge bomen. Hij kende de bossen op zijn duimpje, had er zomers trainend doorgebracht. Ik fietste met een brede glimlach achter hem aan. Ik genoot ervan om hem te zien genieten. Na elke afdaling stond hij aan de kant op mij te wachten, “gaat het goed schatje?”. Na elke afdaling werd ik meer zelfverzekerd.

En toen, een uitstekende boomstronk. Mijn gezicht in de grond. Stilte. Terwijl de wereld donker werd vond ik kruipend zijn armen. “Blijf bij me schat, hoor je me? Zeg eens iets, liefie. Het gaat helemaal goedkomen, ik ben bij je.” Alles om me heen werd stil. Ik voelde hoe onze fietskleren nat en warm werden van het bloed dat pulserend mijn gezicht verliet. “Jongens, jemig, wat klote dit. Ik ben arts, ik ga jullie helpen” zei een warme vrouwenstem die blijkbaar achter ons fietste. En dat was ook zo. “Jij!” volgde er. “Bel 112 en kom daarna bij me terug. Jij! Geef je fietsjasje, we willen voorkomen dat ze afkoelen”. Stilte. “Heb je 112 gebeld?” hoorde ik haar later zeggen. “Ja nee, er is hier geen bereik” zei een mannenstem. “Wat dacht je! Zei onze dokter. “Je zit midden in een bos, ga nu bereik zoeken en kom dan me terug!”. Vijf kwartier lang, terwijl zij alles verzorgde, heeft hij me vastgehouden. In stilte ervaarde ik volledige overgave.

Die avond zat hij, vier uur lang, naast mijn slapende ouders op harde stoeltjes in een lange gang te wachten. Ik lag geïntubeerd op een operatietafel. Er was nergens in het ziekenhuis een maaltijd te vinden en naar huis op en neer was geen optie. Ik werd half twee ’s nachts de recovery op gereden.

Voor mij is het een intensieve dag geweest, maar voor hem misschien nog meer. Er is die dag voor mij gezorgd, maar eigenlijk niet voor hem. In dit land waar het zorgbudget honderd miljard euro per jaar is. Waar we de meest waanzinnige behandelingen uit kunnen voeren om levens te redden waar ze in andere landen van dromen. Waar er levens worden verbeterd en ziekten dragelijker worden.

In onze kolossale ziekenhuizen doen we alles voor de zieken, maar vergeten een thuis te bieden aan de families,  de vrienden en de verloren helden op klikschoenen. Wat ik de afgelopen jaren in een witte jas nooit zag, maar me nu pijnlijk realiseer, is dat zij op deze momenten misschien wel net zo kwetsbaar zijn als hun dierbare zieke. En dit deed mij denken. Waarom houden we deze plek alleen en slechts het huis van de zieken? Waarom serveren we kroketten en friet in plaats van een gezonde maaltijd? Waarom is er geen plaats om warm en comfortabel te wachten tot je geliefde uit een operatie ontwaakt? Waarom, was er voor mijn verloren held, geen plek om zich op te frissen of een warme maaltijd op zondag? 

De Jonge Dokter is heel hard aan het groeien. Met onze kleine groep hebben we de laatste tijd al enorm veel bereikt. Om die stijgende lijn door te kunnen zetten zijn we op zoek naar nieuwe mensen die zich bij ons willen aansluiten. Wil jij De Jonge Dokter helpen? We zijn momenteel op zoek naar mensen voor de volgende teams:

  • Communicatie – Iedereen die onze LinkedIn-/Facebook-/Instagram-/Twitter-pagina volgt zal hebben gezien dat de frequentie van posts nog niet altijd optimaal is. Daarom is er een heus communicatieplan in de maak waarmee we willen zorgen dat we nog meer exposure krijgen. Samen met het team ga je aan de slag om content te creëren voor al onze communicatiekanalen in lijn met de communicatiestrategie.
  • Community: zoals jullie mogelijk al hebben gezien kun je member worden van De Jonge Dokter. Het technische deel van het systeem staat, maar we zijn nog op zoek naar mensen die met ons mee willen denken over hoe we de community gaan onderhouden en voeden. Dit zal deels inhouden dat je meekijkt hoe we ons member systeem kunnen verbeteren en deels dat je meedenkt over de nieuwsbrieven en perks voor members.
  • Partners – Om te groeien en meer exposure te creëren hebben we partners nodig. Als teamlid van team partners ga je op zoek naar mogelijke partners en spreek je met ze af om te kijken wat we voor elkaar kunnen betekenen.

Ben jij diegene met die vlotte babbel, creatief meesterbrein of out-of-the box denkende people person, dan komen we graag met je in contact. Je kan ons een mailtje sturen op people@dejongedokter.nl. Op 23 augustus zal in Amsterdam of Utrecht een kennismakingsavond plaatsvinden, waarbij wij meer zullen vertellen over De Jonge Dokter en jij ons kan vertellen wat je ideeën zijn bij ons en waar je ons denkt te kunnen versterken.

Wat hebben we genoten van het uitverkochte iHealth vorige week zaterdag!

Het was een prachtige dag boordevol leerzame lezingen, een confronterende interactieve sessie en enorm actieve workshops. Het was super om te zien hoe gedreven iedereen actief deelnam aan deze dag. We willen alle aanwezigen ontzettend bedanken voor hun komst en deelname en hopen dat zij weer vol inspiratie naar huis zijn gegaan.

Baal je dat je dit allemaal hebt moeten missen? Geen zorgen, op 16 november vindt ons volgende evenement plaats: Foutenfestival 2.0.

Door Mia Wessels
Wat zou jij aan jezelf veranderen als je één ding mocht kiezen? Vroeg mijn vriendin aan mij op een bankje in het park. We waren dertien en hadden tussenuur. Mijn antwoord was een vraag, namelijk: mag ik er echt maar één kiezen? Ik kon namelijk wel honderd dingen bedenken die ik aan mijn schrale lijfje wilde veranderen. “Ja”, zei mijn vriendin, “ik weet er anders ook wel honderd. Je moet er ééntje kiezen”.

Deze situatie lijkt onschuldig, maar weerspiegelt mijns inziens een chronische, besmettelijke onzekerheid onder jonge vrouwen. Niet op iedereen heeft het (even veel) effect, maar ik heb er jarenlang ongezond door gegeten. Te weinig, ongezond, afgewisseld met extreem gezond eten. Of ongecontroleerde eetbuien die daarna vakkundig hersteld worden met perioden van niet eten. Ook kon ik geen complimenten aannemen. “Jaaa”, zei ik dan, “maar het kan altijd beter”. Alle headspace die ik aan die onzin ben verloren had ik ook in hele mooie dingen kunnen steken. Maar ja, het kon altijd beter.

Tot ik drie weken geleden van een mountainbike viel en landde op mijn gezicht. Een split second die mijn leven had kunnen kosten, kostte gelukkig slechts een gebroken gezicht. Na een vier uur lange operatie werd ik wakker met een ander gezicht. Helemaal gezwollen en blauw, met tampons in mijn neus.

Opeens veranderde mijn definitie van ‘beter’. Beter betekende eerder dunnere benen, dikkere lippen of ander haar. Nu betekende beter ‘hetzelfde zijn als eerst’. Voor het eerst in mijn leven wilde ik weer intens mijzelf zijn. Mia, precies zoals ik was. Dus de volgende keer dat ik een compliment krijg, neem ik hem wel aan. Want het kan nooit meer beter. Ik word nooit meer zoals ik was, omdat ik nu ben wat ik ben. En dat is misschien maar beter.

Waarom deze blog?
Ik schreef deze blog drie weken nadat ik gevallen en geopeerd was. Ik was dus aan het herstellen, en ik had geen idee wat dat was. Ten eerste, omdat ik geen beeld had van wat het herstel zou behelsen. Dat ik weken lang letterlijk hele dagen zou slapen had ik niet verwacht. Maar ik wist ook niet of dit normaal was, want een ‘hersenschudding’ had ik me nooit echt in geinteresseerd. Ten tweede, omdat je voor echt herstel, moet luisteren naar je lijf. En dat is makkelijker dan gedacht. En dit is waarom deze blog online staat. Want zorgen voor jezelf hoeft niet alleen wanneer je herstelt. Het is ook nodig wanneer je je benen van je lijf aan het lopen bent in de kliniek of een hele dag poli doet. En daar gaan we het over hebben op iHealth, het aankomende symposium op 29 juni in de Rabobank in Utrecht. Je kunt hier meer lezen en je kaartje kopen.