Door Mia Wessels
Wat zou jij aan jezelf veranderen als je één ding mocht kiezen? Vroeg mijn vriendin aan mij op een bankje in het park. We waren dertien en hadden tussenuur. Mijn antwoord was een vraag, namelijk: mag ik er echt maar één kiezen? Ik kon namelijk wel honderd dingen bedenken die ik aan mijn schrale lijfje wilde veranderen. “Ja”, zei mijn vriendin, “ik weet er anders ook wel honderd. Je moet er ééntje kiezen”.

Deze situatie lijkt onschuldig, maar weerspiegelt mijns inziens een chronische, besmettelijke onzekerheid onder jonge vrouwen. Niet op iedereen heeft het (even veel) effect, maar ik heb er jarenlang ongezond door gegeten. Te weinig, ongezond, afgewisseld met extreem gezond eten. Of ongecontroleerde eetbuien die daarna vakkundig hersteld worden met perioden van niet eten. Ook kon ik geen complimenten aannemen. “Jaaa”, zei ik dan, “maar het kan altijd beter”. Alle headspace die ik aan die onzin ben verloren had ik ook in hele mooie dingen kunnen steken. Maar ja, het kon altijd beter.

Tot ik drie weken geleden van een mountainbike viel en landde op mijn gezicht. Een split second die mijn leven had kunnen kosten, kostte gelukkig slechts een gebroken gezicht. Na een vier uur lange operatie werd ik wakker met een ander gezicht. Helemaal gezwollen en blauw, met tampons in mijn neus.

Opeens veranderde mijn definitie van ‘beter’. Beter betekende eerder dunnere benen, dikkere lippen of ander haar. Nu betekende beter ‘hetzelfde zijn als eerst’. Voor het eerst in mijn leven wilde ik weer intens mijzelf zijn. Mia, precies zoals ik was. Dus de volgende keer dat ik een compliment krijg, neem ik hem wel aan. Want het kan nooit meer beter. Ik word nooit meer zoals ik was, omdat ik nu ben wat ik ben. En dat is misschien maar beter.

Waarom deze blog?
Ik schreef deze blog drie weken nadat ik gevallen en geopeerd was. Ik was dus aan het herstellen, en ik had geen idee wat dat was. Ten eerste, omdat ik geen beeld had van wat het herstel zou behelsen. Dat ik weken lang letterlijk hele dagen zou slapen had ik niet verwacht. Maar ik wist ook niet of dit normaal was, want een ‘hersenschudding’ had ik me nooit echt in geinteresseerd. Ten tweede, omdat je voor echt herstel, moet luisteren naar je lijf. En dat is makkelijker dan gedacht. En dit is waarom deze blog online staat. Want zorgen voor jezelf hoeft niet alleen wanneer je herstelt. Het is ook nodig wanneer je je benen van je lijf aan het lopen bent in de kliniek of een hele dag poli doet. En daar gaan we het over hebben op iHealth, het aankomende symposium op 29 juni in de Rabobank in Utrecht. Je kunt hier meer lezen en je kaartje kopen.

Mia is één van de oprichters van De Jonge Dokter en liep de afgelopen maanden haar laatste coschap. Hieronder volgt een blog van één van haar observaties.

Op dagen zoals deze zien wij allemaal de zon niet. Wel verdrinken we in het TL licht van het ziekenhuis, dat scherp weerkaatst op het wit van de pakjes van de werknemers. Alsof iemand ooit heeft gedacht: laten we de meest donkere plek op aarde zoveel mogelijk onnatuurlijk licht geven. Alsof het de zorg wat minder zwaar maakt.

Na twee jaar vrijwel niet in het ziekenhuis te zijn geweest, maak ik weer deel uit van de routine. Het voelt alsof ik een oude liefde ben tegengekomen en we opnieuw besloten elkaar vaker te zien. Alles komt terug. De geur van de handalcohol, de polsbandjes om de verrimpelde handen die een leven hebben geleefd maar hier de patiënt op kamer vijf zijn. Het dubieuze donkere water uit het koffiezetapparaat en de afwezigheid van stilte.

Ook de mooie dingen komen terug. Een klein gebaar of intiem moment dat iemand weer herinnert aan menselijkheid, het aangezicht van een gebouw waar alle meubelstukken op wieltjes staan. De eindeloze kennis die we nooit helemaal zullen bezitten maar wel delen. Het continu aanwezige gevoel er bijna te zijn.

Eén van de situaties die mij bij is gebleven is de ochtendoverdracht op de woensdag uit mijn eerste week. Twee jonge dokters dragen alle patiënten van de intensive care over aan de dagdienst. Hartchirurgen, intensivisten, anesthesisten, verpleegkundigen en iedereen in opleiding kijken naar schermen met grafieken, röntgenfoto’s en cijfers. Patiënt één gevolgd door patiënt twee, gevold door een patiënt drie, deels onverwachts, die nacht overleden is. Daar was plots de altijd afwezige stilte. Er volgden reacties, vragen en verontwaardiging van de medisch specialisten aan de overkant van de tafel. De rest zweeg. De reacties waren invoelbaar, iedereen was geschrokken. Iedereen voelt zich in meer of mindere mate verantwoordelijk. Iedereen wil het gevoel hebben alles te hebben gedaan. Een patiënt, een mens, laten gaan is niet waar we voor hebben geleerd.

De jonge dokters van de nachtdienst gaven zo goed als ze konden antwoord. Het was duidelijk dat de nacht hen naast vermoeid, onzeker had gemaakt. Ze hadden hun best gedaan, iets wat in de zorg vaak voor lief genomen wordt.

Ik besef me dat een overdracht in de kern een zakelijke aangelegenheid is. Twee mensen, dokters met nachtdienst, zorgen voor mensen, patiënten. De overdracht van die zorg vereist precisie. Echter kunnen die twee dokters alleen iets overdragen als zij ook iets hebben gedragen. En ik denk dat er maar een deel van hetgeen zij dragen ook daadwerkelijk wordt overgedragen. Namelijk het medisch zakelijke deel; de labwaarden, geprikte drains, medische beslissingen en administratie. Maar dit weegt lang niet zo zwaar als de verantwoordelijkheid, onzekerheid, stress en emotionele uitputting. Dit is het persoonlijke deel van de overdracht dat niet wordt overdragen. Dit is het deel dat deze jonge dokters weer met zich mee naar huis nemen.  Dag na dag, jaar na jaar. Tot ze over tien jaar aan de andere kant van de zaal zitten en geen ruimte op hun schouders hebben voor het emotionele deel van de overdracht van de nieuwe jonge dokters.

Toch hoop ik dat er iemand is geweest die de jonge dokters van die woensdag heeft vastgepakt, aangekeken en heeft gevraagd hoe het voor hen was, hoe het met hen was. En daarmee het laatste deel van de overdracht van hun schouders af deed glijden. Zodat zij als zij naar buiten lopen, begroet worden door het echte licht.

Waarom we niet durven te zeggen dat we trots zijn op onszelf (en dan ook de complimenten afwijzen)

 

Mijn zus werkt met 0-3-jarigen, de kleinsten onder ons die hun dagen vullen met het stapelen van voorwerpen en zelfstandig leren plassen. Onlangs liet zij mij een filmpje zien die mij deed realiseren hoe erg ik deze kleine mensen onderschat en hoeveel wij van ze kunnen leren. In het filmpje staat Timo, één van deze kindjes, alle glazen keurig in de kast te zetten, waarna hij zijn handjes afveegt aan zijn schort en hardop zegt: “goed van mij”. Hij had uit intrinsieke motivatie iets gedaan en zichzelf hierop gecomplimenteerd. Hij was trots.

 

Hoe komt het dan dat de slimme, succesvolle, jonge, bevlogen dokters, die uit intrinsieke motivatie dokter werden, zichzelf nauwelijks complimenteren? Ik kon me niet herinneren wanneer ik voor het laatst “goed van mij” had gezegd. Ondanks alle externe goedkeuring in de vorm van titels, tevreden patiënten, beurzen en erkenning van vrienden en familie. Zijn wij trots zijn  verleerd? Of durven we het niet uit te spreken?

 

Veel van ons hebben last van het “imposter syndrome”. Dit fenomeen beschrijft de angst “dat men erachter gaat komen dat je het misschien toch allemaal niet kan”. Dit vind ik fascinerend. Want hoe, vraag ik mij af, zou dat dan in zijn werk gaan? Belangrijker nog, waarom is het aan iemand anders om te bepalen of jij iets wel kan? Waarom kan het niet zo zijn dat iemand misschien vindt dat jij iets niet kan maar jij toch wel?

 

Dit is de crux van onze het-heel-goed-doen-maar-onzeker-zijn-complex. Wij leggen de goedkeuring van ons kunnen, en soms zelfs van ons zijn, bij de ander. We vrezen het moment waarop iemand iets van ons niet goed vindt terwijl wij eigenlijk trots waren. Dus zijn we liever helemaal niet trots, ondanks al onze verzamelde externe goedkeuring, en bagatelliseren we de complimenten. Alsof een compliment aannemen betekent dat je het ermee eens, en dus misschien niet bescheiden, bent.

 

Dit creëert een afhankelijkheid van externe goedkeuring. Dit is begrijpelijk maar ook gevaarlijk. Begrijpelijk, omdat we leven in een wereld waarin we niet trots zijn op trots, zeker niet op jezelf gerichte trots. Bovendien geloven we dat hard werken van binnenuit beloond wordt met goedkeuring van buiten (als ik heel hard werk, word ik wel specialist). Dit is gevaarlijk, omdat niet sec hard werken maar het eindproduct beloond wordt (je kunt ook heel hard werken of goed zijn en niet in opleiding komen). Dit eindproduct wordt beoordeeld. En deze beoordeling is altijd, in meer of mindere maten, subjectief. Met andere woorden, wij hebben geen controle op de goedkeuring. We laten het aan iemand anders over te bepalen of wij er mogen zijn. Zonde. Op deze manier blijven heel veel bijzondere mensen met authentieke kenmerken en vaardigheden, onzichtbaar en onzeker.

 

Toen ik mij, dankzij kleine Timo, realiseerde dat ik dit deed ben ik een boekje bij gaan houden. Elke dag voordat ik ga slapen schrijf ik drie dingen van die dag op waar ik trots op ben. Ook en juist op de dagen waarop ik denk dat ik er geen kan bedenken. Zo blijf ik ondanks vervelende ervaringen de mooie dingen zien. En is het aan mij, om te bepalen of ik trots ben.

 

Wanneer was jij voor het laatst trots op jezelf?

Wie ben jij als niemand kijkt?

 

“Van een afstand gezien lijkt het bestaan van een coassistent vrij en onbezorgd. We lopen achter dokters aan, zoeken op het juiste moment het juiste detail op om dat weer op het juiste moment hardop te zeggen, alsof we het al jaren weten.”

 

Gisteren brak mijn hart, toen ik door een raam van een statig huis naar een oude dame keek die helemaal alleen en voorovergebogen schuifelde door haar donkere keuken. Heel even danste de gedachte door mijn hoofd haar te vergezellen met een kop koffie en haar tijdelijk te verlossen van haar eenzaamheid, maar de dans werd snel overgenomen door de vanmorgen opgestelde to do’s, onbeantwoorde mails en voor te bereiden meetings die mij herinnerden aan mijn eeuwige tekort aan tijd. De dans werd stopgezet door een oude man die uit het niets, in datzelfde keukentje verscheen. In zijn handen, een gigantische bos zonnebloemen die hij vol overgave aan haar gaf. Schaamte vulde de kieren van mijn zojuist gebroken hart. Waarom was ik op een zondag in mijn studententijd zelfs daar te druk voor, met alles wat ik moet doen om te blijven werken naar wie ik wil zijn. Wie denk ik wel niet dat ik ben?

 

Hetzelfde vindt plaats wanneer ik in een witte jas door witte gangen loop langs kamers met mensen die echt alleen zijn. Zelden loop ik zonder reden naar binnen. Ik als coassistent zou toch alle tijd moeten hebben, juist voor deze reden?

 

Van een afstand gezien lijkt het bestaan van een coassistent vrij en onbezorgd. We lopen achter dokters aan, zoeken op het juiste moment het juiste detail op om dat weer op het juiste moment hardop te zeggen, alsof we het al jaren weten. Elke week een andere dokter, elke maand een ander ziekenhuis, niemand die ons eigenlijk kent. In het toneelstuk van het ziekenhuis spelen wij altijd het nieuwe gezicht, een rol die nooit went.

 

Nooit vraagt iemand naar onze feedback op systemen, processen of mensen. Zelden vraagt iemand hoe het gaat. Het opleiden van dokters die goed kunnen stampen, zonder kritische blik volstaat.

 

Van ‘doen alsof we arts zijn’, via ‘ons gedragen als een arts’ worden wij uiteindelijk die arts. Maar doen alsof en gedragen als lukt niet alleen door te kijken naar. In onze afhankelijkheid vormen wij ons onbewust naar hen, om als waargemaakte verwachting het vak te leren, en die zeven te veranderen in een acht.

 

Onze leermeesters en beoordelaars zijn 26-jarigen die verdrinken in administratieve handelingen terwijl de ogen van bovenaf door hun witte jas branden. Voor hen immers tien anderen.

 

We doen commissies en besturen, extra stages en PhD’s. We moeten laten zien dat we dit willen, laten zien dat we dit zijn. Maar als we onze identiteit zien door de ogen van een ander, wie zijn wij dan, als niemand kijkt?

 

 

Waarom deze blog?

Tijdens de studie en daarna pogen we ziekten en hun ontwikkeling te begrijpen. Bij onze persoonlijke ontwikkeling staan we echter minder stil. Wel zijn we veel bezig met ‘de volgende stap’. Waar ga ik werken? Ga ik promoveren? Hoe kom ik in opleiding? En als ik er dan ben, waar word ik dan staflid?

De volgende stap bepalen die past bij jou gaat het makkelijkst als je ook weet wat je wil. Weten wat je wil, komt voort uit weten wie je bent. En wat je goed kan. Je bewust worden van wie je bent, wat je kan en wat je wil helpt niet alleen in het maken van keuzes. Het biedt ook de handvaten om je omgeving te vormen naar wat jij wil en nodig hebt. Dit leidt tot meer tevredenheid en geluk.

Weten waar je staat vergt het stellen van andere vragen. En reflectie, veel zelfreflectie. Dat is niet zo  vanzelfsprekend in een druk en chaotisch leven. Daarom ga ik in deze reeks blogs de vragen die ik mijzelf stel, hardop op papier stellen.

Worden wie je bent is belangrijk voor het worden van een goede dokter

Door Mia. Tijdens de studie en daarna pogen we ziekten en hun ontwikkeling te begrijpen. Bij onze persoonlijke ontwikkeling staan we echter minder stil. Wel zijn we veel bezig met ‘de volgende stap’. Waar ga ik werken? Ga ik promoveren? Hoe kom ik in opleiding? En als ik er dan ben, waar word ik staflid?

De volgende stap bepalen die past bij jou gaat het makkelijkst als je ook weet wat je wil. Weten wat je wil, komt voort uit weten wie je bent. En wat je goed kan. Je bewust worden van wie je bent, wat je kan en wat je wil helpt niet alleen in het maken van keuzes. Het biedt ook de handvaten om je omgeving te vormen naar wat jij wil en nodig hebt. Dit leidt tot meer tevredenheid en geluk.

Maar ik ben me toch van mijn ontwikkeling, hoor ik je denken. Dat gaat toch vanzelf? Niet helemaal. Weten waar je staat vergt het stellen van andere vragen. En reflectie, veel zelfreflectie. Dat is niet zo  vanzelfsprekend in een druk en chaotisch leven. Daarom ga ik in deze reeks blogs de vragen die ik mijzelf stel, hardop op papier stellen.

 

Vraag 1: Ben je arts, of werk je als arts?

We hebben het eigenlijk altijd over dokter ‘worden’ of ‘zijn’. Deze uitspraak letterlijk nemende, zou betekenen dat je niet gaat werken als dokter, maar dokter wordt. Dit lijkt semantisch, maar gaat verder dan dat. Naast het beschrijven van het letterlijke proces (geneeskunde, coschappen, aan de slag als arts),  impliceert het een identiteitsverandering. Je wordt iets, waarschijnlijk anders dan je nu bent. Maar, wat gebeurt er dan met wie je nu bent? Blijft de persoon die je nu bent bestaan in die uren waarin je niet werkt? Of worden deze twee identiteiten één?

‘Dokters zijn nét mensen’ heb ik vaak gehoord in mijn korte carrière. Ik heb deze uitspraak nooit helemaal begrepen. Alsof dokters bovenmenselijk zijn in hun witte jas. En dus op dat moment niet mens. Mijns inziens is een belangrijk deel van het artsenvak de menselijke component kunnen bewaken in een situatie waarin deze soms ver te zoeken is. Juist door zelf menselijkheid te tonen.

Toch zie ik jonge dokters om mij heen een andere identiteit aannemen zodra zij hun witte jas aantrekken. Op zich logisch, het ziekenhuis en de doktersjas in specifiek, is een plek waarin het verleidelijk is je net iets anders voor te doen dan je bent. Ten eerste, wil je laten zien dat je geschikt bent. Je moet ballen hebben om tegen de persoon die jou in opleiding kan helpen je twijfels of onzekerheden te uiten, laat staan ontevredenheid uit te spreken. Ten tweede, heb je een professionele rol. De scheidslijn tussen professie en persoon is soms lastig. Mag je huilen waar een patiënt bij is? Mag je laten zien dat je het eigenlijk ook niet weet?

Over deze vragen zijn de meningen verdeeld. Mijns inziens komen ze neer op één hoofdvraag, namelijk: ‘hoe wil ik zorg leveren?’. Deze vraag beantwoorden is een persoonlijk, essentieel proces die parallel loopt aan de medisch inhoudelijke ontwikkeling. Dit gaat niet vanzelf. Toch hebben we het er weinig over met elkaar. We nemen aan dat iets gewoon heel vaak doen maakt dat we het kunnen, zoals met een motorische vaardigheid. Persoonlijke ontwikkeling vereist reflectie.

En reflecteren helpt jou jezelf te leren zijn in je witte jas. Als jij jezelf bent, maak je op jouw manier contact met patiënten en collega’s. Focus je alleen op het medisch inhoudelijke en laat je wie je bent buiten beschouwing, speel je eigenlijk een rol. Naast het feit dat anderen dit probleemloos aan kunnen voelen, heb je er zelf last van. En wordt je ongelukkig. Of burnout.

In conclusie, we zijn mens en werken als arts. Maar hoe we die rol als arts invullen is aan ons. ‘Dokter worden’ gaat over het samenbrengen van wie je bent als mens met je professionele rol. Dit is een proces die aandacht nodig heeft. En reflectie. Zo voorkom je dat je dokter wordt en jezelf erin verliest.