Door Mia Wessels

Hij leek wel een verloren superheld. Met een gouden metallic warmtedeken over zijn schouders liep hij in een fietspakje op klikschoenen over en weer door de gang van de spoedeisende hulp. In zijn hand hield hij een verschrompeld plastic bekertje, eerder gevuld met ziekenhuisthee. Zijn schoenen maakten een klikkend geluid op het linoleum terwijl hij ijsberend wachtte op mij. Ik lag onder de CT-scan nadat ik in een crashroom was overgedragen door de ambulancebroeders.

We hadden die ochtend besloten te gaan mountainbiken. Ik wilde dat graag. Het was een koude maar prachtige zondagochtend. We fietsten onder een blauwe lucht tussen hoge bomen. Hij kende de bossen op zijn duimpje, had er zomers trainend doorgebracht. Ik fietste met een brede glimlach achter hem aan. Ik genoot ervan om hem te zien genieten. Na elke afdaling stond hij aan de kant op mij te wachten, “gaat het goed schatje?”. Na elke afdaling werd ik meer zelfverzekerd.

En toen, een uitstekende boomstronk. Mijn gezicht in de grond. Stilte. Terwijl de wereld donker werd vond ik kruipend zijn armen. “Blijf bij me schat, hoor je me? Zeg eens iets, liefie. Het gaat helemaal goedkomen, ik ben bij je.” Alles om me heen werd stil. Ik voelde hoe onze fietskleren nat en warm werden van het bloed dat pulserend mijn gezicht verliet. “Jongens, jemig, wat klote dit. Ik ben arts, ik ga jullie helpen” zei een warme vrouwenstem die blijkbaar achter ons fietste. En dat was ook zo. “Jij!” volgde er. “Bel 112 en kom daarna bij me terug. Jij! Geef je fietsjasje, we willen voorkomen dat ze afkoelen”. Stilte. “Heb je 112 gebeld?” hoorde ik haar later zeggen. “Ja nee, er is hier geen bereik” zei een mannenstem. “Wat dacht je! Zei onze dokter. “Je zit midden in een bos, ga nu bereik zoeken en kom dan me terug!”. Vijf kwartier lang, terwijl zij alles verzorgde, heeft hij me vastgehouden. In stilte ervaarde ik volledige overgave.

Die avond zat hij, vier uur lang, naast mijn slapende ouders op harde stoeltjes in een lange gang te wachten. Ik lag geïntubeerd op een operatietafel. Er was nergens in het ziekenhuis een maaltijd te vinden en naar huis op en neer was geen optie. Ik werd half twee ’s nachts de recovery op gereden.

Voor mij is het een intensieve dag geweest, maar voor hem misschien nog meer. Er is die dag voor mij gezorgd, maar eigenlijk niet voor hem. In dit land waar het zorgbudget honderd miljard euro per jaar is. Waar we de meest waanzinnige behandelingen uit kunnen voeren om levens te redden waar ze in andere landen van dromen. Waar er levens worden verbeterd en ziekten dragelijker worden.

In onze kolossale ziekenhuizen doen we alles voor de zieken, maar vergeten een thuis te bieden aan de families,  de vrienden en de verloren helden op klikschoenen. Wat ik de afgelopen jaren in een witte jas nooit zag, maar me nu pijnlijk realiseer, is dat zij op deze momenten misschien wel net zo kwetsbaar zijn als hun dierbare zieke. En dit deed mij denken. Waarom houden we deze plek alleen en slechts het huis van de zieken? Waarom serveren we kroketten en friet in plaats van een gezonde maaltijd? Waarom is er geen plaats om warm en comfortabel te wachten tot je geliefde uit een operatie ontwaakt? Waarom, was er voor mijn verloren held, geen plek om zich op te frissen of een warme maaltijd op zondag?